Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Indienen van de melding/klacht

Onderdeel van Klachtenregeling ongewenst gedrag op het werk 2018

1.. De medewerker dient zich allereerst tot zijn direct leidinggevende te wenden met zijn melding. Deze leidinggevende zal als bemiddelaar optreden tussen melder en aangeklaagde. 2.. Heeft de medewerker reden zich niet tot zijn direct leidinggevende of diens leidinggevende te wenden of slaagt de bemiddelingspoging van de direct leidinggevende niet, dan kan hij zich wenden tot de vertrouwenspersoon. 3.. De vertrouwenspersoon handelt de melding af, tenzij de vertrouwenspersoon het noodzakelijk acht dat de klachtencommissie een advies uitbrengt. 4.. In afwijking van lid 3 heeft iedere medewerker het recht zich (eventueel ondersteund door de vertrouwenspersoon) met een klacht tot de klachtencommissie te wenden. 5.. Een klacht wordt in ieder geval geacht tijdig te zijn ingediend indien de klager binnen drie jaar nadat het laatste voorval inzake (seksuele) intimidatie, discriminatie of agressie en geweld heeft plaatsgehad, een klacht ter zake bij de commissie heeft ingediend. Deze termijn geldt niet, indien het een voorval betreft dat mogelijk tevens een strafbaar feit inhoudt. Het een en ander is ter beslissing aan de voorzitter van de klachtencommissie. 6.. Anonieme klachten worden niet in behandeling genomen, maar kunnen ter ondersteuning dienen van (een) andere (niet-anonieme) klacht(en). 7.. Klager kan zich bij het indienen van de klacht en tijdens de hoorzittingen laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of door een zelfgekozen raadsvrouw of -man. Het laatste geldt ook voor de aangeklaagde.

Rechtspraak bij dit artikel