Een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer of het openbaar vervoer is verstrekt, is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust en veiligheid en een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de vervoerder, die het vervoer verricht, duidelijk kenbaar zijn gemaakt.
Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer of het openbaar vervoer is verstrekt, tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen, als bij herhaling is gebleken dat de leerling door zijn gedrag of anderszins de orde in het vervoermiddel verstoort, de veiligheid van het vervoermiddel en inzittenden in gevaar brengt en/of de aanwijzingen van de vervoerder niet opvolgt.
Indien een leerling de toegang tot het aangepast vervoer ontzegd is, zal het college voor de duur van deze ontzegging de kosten van het eigen vervoer of het openbaar vervoer van en naar de school voor deze leerling en zo nodig voor een begeleider te vergoeden.