Een standplaatshouder mag een standplaats vanwege vakantie éénmaal in de maanden april tot en met september en éénmaal in de maanden oktober tot en met maart een aaneengesloten periode van ten hoogste 4 weken niet innemen zonder dat de vergunning wordt ingetrokken.
Indien een standplaatshouder een langere periode wegens vakantie de standplaats niet in zal nemen, moet de standplaatshouder dit tijdig voorafgaand aan de betreffende vakantieperiode aan het college meedelen.
Standplaatshouder kan zich bij vakantie laten vervangen. De standplaatshouder deelt de naam van de persoon die vervangt en voor welke periode mee aan het college voordat de standplaats door de vervanger wordt ingenomen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 10
Gebruikelijke vakantieperiode
Onderdeel van Standplaatsenbeleid Bladel 2019