**1..** Als het aantal beschikbare formatieplaatsen voor een uitwisselbare functie in de nieuwe organisatie zodanig is verminderd dat niet alle betrokken ambtenaren kunnen worden geplaatst in deze functie, bepaalt het diensthoofd in afwijking van artikel 7.3 volgens de procedure, bedoeld in het tweede lid, wie van de betrokken ambtenaren de functie blijft vervullen.
**2..** Het diensthoofd stelt vast wie van de betrokken ambtenaren de functie blijft vervullen aan de hand van het afspiegelingsbeginsel overeenkomstig de Beleidsregels Ontslagtaak UWV.
**3..** Het diensthoofd kan bepalen dat een ambtenaar die blijkens een vastgestelde beoordeling als bedoeld in de Regeling PVB-cyclus ongeschikt is voor de functie, niet meedoet in de procedure, bedoeld in het tweede lid.
Toelichting
Dit artikel regelt de prioriteitsvolgorde bij krimp. Hoofdregel is het afspiegelingsbeginsel. Dit houdt in dat ten aanzien van functies waarbij zich krimp voordoet, het betrokken personeel wordt ingedeeld in leeftijdscohorten en vervolgens per cohort op basis van de duur van de diensttijd wordt geplaatst, totdat de beschikbare formatieruimte is uitgeput. Onder diensttijd wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: de diensttijd bij de gemeente Den Haag. Gedetailleerde richtlijnen, uitleg en voorbeelden van de toepassing van het afspiegelingsbeginsel staan op de site van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV):https://www.werk.nl/werk_nl/werkgever/meerweten/ontslag/ontslagprocedure-uwv/afspiegelingsbeginselHierin wordt onder meer ingegaan op de organisatorische reikwijdte van de toepassing van het afspiegelingsbeginsel, de leeftijdscohorten, het hanteren van een peildatum, het belang van een actueel personeelsoverzicht en meer. De leeftijdscohorten zijn: 15 tot 25 jaar, 25 tot 35 jaar, 35 tot 45 jaar, 45 tot 55 jaar en 55 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Het besluit Beleidsregels vaststelling overtolligheid van werk naar werk beleid voor de sector Rijk 2013-2015 bevat een handige samenvatting van de UWV-beleidsregels.Volgens voornoemde beleidsregels kan bij zwaarwegende redenen en in een beperkt aantal gevallen van het afspiegelingsbeginsel worden afgeweken. Het gaat omonmisbare medewerkers of om een zwakke arbeidsmarktpositie.Het voornemen tot afwijking maakt zo mogelijk deel uit van het plan van aanpak voor de reorganisatie. Voor de toepassing van het afspiegelingsbeginsel is verder de positie van belang van AOW-gerechtigden en van ambtenaren met een aanstelling in tijdelijke dienst die binnen een periode van 26 weken eindigt; zij worden niet meegenomen in de berekening volgens het afspiegelingsbeginsel.
In incidentele gevallen kan worden bepaald dat een medewerker niet meedoet in de plaatsingsvolgorde en daarom niet wordt geplaatst. Dit is het geval als ten aanzien van deze medewerker reeds is geconstateerd dat deze structureel niet of niet meer geschikt is voor de uitoefening van de door hem vervulde functie. Daarvoor is vereist dat dit oordeel is vastgelegd in een vastgesteld beoordelingsverslag volgens de Regeling PVB-cyclus dat in rechte onaantastbaar is geworden.Met deze medewerker wordt in de regel een alternatief traject doorlopen, zoals beschreven in hoofdstuk 10d, paragraaf 4, ARG.
Als een medewerker als gevolg van de toepassing van de toepassing van dit artikel niet is geplaatst in de nieuwe organisatie, is deze nog niet boventallig. Eerst wordt onderzocht of deze medewerker geplaatst kan worden op een andere functie in de nieuwe organisatie. Pas als dat onverhoopt niet lukt, is de medewerker boventallig en wordt deze aangewezen als verplichte VWNW-kandidaat.
Paragraaf 7
Artikel 7.4
Afspiegelingsbeginsel
Onderdeel van Sociaal Beleidskader Den Haag 2015 -2018