Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als
daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college;
dat gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
dat gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Het college kan met het oog op de belangen in het eerste lid en in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Het verbod is niet van toepassing op:
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
terrassen als bedoeld in artikel 2:28a;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
Het verbod is voorts niet van toepassing op:
vormen van reclame die passen binnen de door het college vastgestelde beleidsregels;
vormen van reclame indien met de aanbieder een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten die voorziet in de plaatsing daarvan;
Het verbod is tevens niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Wegenverordening provincie Fryslân.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf
Artikel 2:10
Voorwerpen op of aan de weg
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2021 gemeente Súdwest-Fryslân