**1..** Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken
indien:
blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste
of onvolledige gegevens hebben verleend;
blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
voldaan aan een voorschrift van de vergunning;
van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
weken na het onherroepelijk worden van de vergunning;
dan wel de datum of periode waarop of waarin een
activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is
verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit
heeft plaatsgevonden;
van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
langer geen gebruik is gemaakt;
het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
vereist op grond van een verandering van de inzichten
en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te
beschermen.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1
Artikel 2.1.3
Intrekken vergunning
Onderdeel van Brandbeveiligingsverordening 2001