Naar hoofdinhoud
1.. Een raadslid formuleert zijn (schriftelijke en mondelinge) meningsuitingen zorgvuldig, draagt zorg voor een degelijke feitenonderbouwing en legt daar rekenschap over af. 2.. Een raadslid onthoudt zich van beledigingen, laster en leugens. 3.. Een raadslid tast de persoonlijke integriteit van leden van het college, raad, commissies en ambtelijke organisatie niet onbewezen aan. 4.. Een raadslid draagt er zorg voor, dat de toonzetting van de beweringen niet geschiedt in persoonlijke grievende bewoordingen. 5.. Naderhand onjuist gebleken beweringen worden door het betrokken raadslid publiekelijk gerectificeerd.

Rechtspraak bij dit artikel