In deze verordening wordt verstaan onder:
Activiteiten: het totaal aan activiteiten zoals deze genoemd worden in de bijlage bij deze verordening;
Sociaal minimum: het bedrag van de van toepassing zijnde (gezins)norm, inclusief de maximale gemeentelijke toeslag, zoals vastgelegd in de artikelen 20 tot en met 29 van de Participatiewet;
Inkomen: Het inkomen als bedoeld in art. 32 Participatiewet. In afwijking hiervan wordt een bijstandsuitkering voor de beoordeling van het recht op activiteitenfonds gezien als inkomen. Art. 33 lid 5 Participatiewet (pensioenvrijlating) is van overeenkomstige toepassing. Op het totaal van maandelijkse inkomsten wordt in mindering gebracht:
het verschil tussen de verschuldigde maandelijkse woonlasten en de normhuur die van toepassing is bij de laagste inkomenscategorie als bedoeld in de Wet op de Huurtoeslag;
een twaalfde gedeelte van de verschuldigde aanslag plaatselijke belastingen, na aftrek van de toegekende kwijtschelding;
Vermogen: het vermogen als bedoeld in art. 34 Participatiewet, te verhogen met een bedrag van €3.000 per volwassene;
Oudere: personen die aanspraak kunnen maken op een AOW-uitkering;
Arbeidsgehandicapte: de arbeidsgehandicapte als bedoeld in de wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) en de persoon met een Wajong uitkering.