1. Het college kent, met inachtneming van artikel 10 en 11, een persoonsgebonden budget toe indien is vastgesteld dat:
a. cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn curator, bewindvoerder of mentor in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren;
b. cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als een persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;
c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Daarbij wordt, conform artikel 2.3.6. lid 3 van de wet, door het college meegewogen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.
2. Het college kent geen persoonsgebonden budget toe indien
a. eerder, voorafgaand aan de datum van het onderzoek, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet;
b. de cliënt, zonder dat er toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d, en e van de wet, niet heeft voldaan aan de verplichting bedoeld in artikel 2.3.8 van de wet;
c. het bieden van een keuze voor het persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van vervoer negatieve gevolgen zou (kunnen) hebben voor het voortbestaan van het collectief vervoersysteem;
d. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo;
e. voor zover het persoonsgebonden budget is bestemd voor besteding in het buitenland;
f. voor zover deze is bedoeld voor ondersteunings-, bemiddelings- of administratiekosten in verband met het persoonsgebonden budget;
g. de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend of schuldhulpverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening van toepassing is.
3. Er wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere zaken te betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, tenzij dit naar het oordeel van het college, gezien alle relevante omstandigheden, de voorkeur verdient. Daarbij is van belang dat het in ieder geval beperkt blijft tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en de cliënt kan bewijzen dat deze ondersteuning aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt.
4. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
HOOFDSTUK 3:
Artikel 13.
Aanvullende criteria en voorwaarden persoonsgebonden budget
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2019