1. a. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van de rolstoelvoorziening, de voorzieningen verstrekt in het kader van het letselschadeconvenant en de voorziening financiële tegemoetkoming voor inrichtings- en verhuiskosten. Voor jeugdigen tot 18 jaar is tevens geen eigen bijdrage verschuldigd voor overige hulpmiddelen.
b. Een cliënt kan een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning.
2. Als een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en
b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
3. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.
4. De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de maatwerkvoorziening.
5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald:
a. door een aanbesteding;
b. na een consultatie in de markt, of
c. in overleg met de aanbieder.
6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het verstrekte bedrag.
7. De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten zijn gelijk aan de bedragen en percentages opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (art. 3.8 e.v.), zij het dat de minimale eigen bijdrage lager kan zijn dan het in artikel 3.8 lid 1 en lid 2 vermelde bedrag indien de uitkomst van de berekening kostprijs gedeeld door de van toepassing zijnde afschrijvingsperiode daartoe aanleiding geeft.
8. De eigen bijdrage voor beschermd wonen en beschermd thuis wordt berekend tot het maximum op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegestaan.
9. Voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang geldt dat:
a. de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang, zoals bedoeld in artikel 2.1.4, zesde lid Wmo 2015, wordt vastgesteld en geïnd door het college.
b. De eigen bijdrage voor de voltijdsopvang is gelijk aan het verschil tussen de voor de cliënt geldende bijstandsnorm en de norm persoonlijke uitgaven. Indien de aanbieder geen voeding verstrekt, wordt de norm persoonlijke uitgaven verhoogd met een bedrag voor voeding, gelijk aan het bedrag dat het Nibud hiervoor hanteert.
c. voor cliënten van 18 tot en met 20 jaar in de opvang van de maatschappelijke opvang bedraagt de eigen bijdrage € 300,- per maand.
d. voor cliënten in de opvang van de vrouwenopvang bedraagt de eigen bijdrage € 227,50 per maand, waarbij de cliënten zelf verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse voeding.
e. een maand bestaat uit dertig (30) dagen.
f. de eigen bijdrage voor voltijdsopvang wordt voor de cliënt bepaald per maand, waarbij de bijdrage is verschuldigd voor iedere dag dat de cliënt gebruik maakt van de voltijdsopvang.
g. bij de toepassing van de hardheidsclausule voor cliënten met aantoonbare dubbele woonlasten, wordt de eigen bijdrage verminderd met een forfaitair bedrag, gelijk aan 20% van de geldende bijstandsnorm.
HOOFDSTUK 4:
Artikel 29
Bijdrage in de kosten
Onderdeel van VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2019