**1..** Aan het college en de burgemeester blijft de bevoegdheid voorbehouden tot het nemen van beslissingen die zijn neergelegd in een document, gericht tot:
de raad;
de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis;
de raad van ministers van het Koninkrijk, de ministerraad of een daaruit gevormde onderraad of commissie, ministers en staatssecretarissen;
de voorzitter van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal of van een uit die Kamer gevormde commissie;
de vice-president van de Raad van State;
de president van de Algemene Rekenkamer;
enig bestuursorgaan van een provincie;
enig bestuursorgaan van een waterschap of een hoogheemraadschap.
Artikel 10