Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2:10

Voorwerpen op, boven of aan een openbare plaats

Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019 (APV)

1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de open bare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. schade toebrengt of kan toebrengen aan (gemeentelijke) eigendommen; d. de verkeersveiligheid in gevaar brengt. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van openbare plaats is in ieder geval sprake wanneer: a. op voetpaden niet tenminste een vrije doorgang van 1,5 strekkende meter wordt gelaten; b. op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer niet tenminste een vrije doorgang van 3,5 strekkende meter; c. er geen vrije doorganghoogte van 4,2 m op de rijbaan aanwezig is. 3. Het college kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op, boven of aan een openbare plaats voor zover deze regels niet zien op een activiteit die de fysieke leefomgevingwijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit. 4. Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen van het verbod; 5. De ontheffing wordt verleend als een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 6. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:15; of het omgevingsplan; c. driehoeks-reclameborden/sandwichborden en spandoeken; mits deze niet langer dan 10 dagen ter plaatse blijven en hiervan minimaal 10 werkdagen vóór plaatsing melding is gedaan aan het college, middels een door het college vastgesteld formulier en uiterlijk op de 10e werdag na de melding geen tegenbericht is ontvangen daqt de melding niet akkoord is. d. overige voorwerpen; mits deze niet langer dan 30 dagen ter plaatse blijven en hiervan minimaal 10 werkdagen voor plaatsing melding is gedaan aan het college, middels een door het college vastgesteld formulier en uiterlijk op de 10de werkdag na de melding geen tegenbericht is ontvangen dat de melding niet akkoord is. e. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; 7. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedsactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordeningcof waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel