1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. De aanvraag moet voldoen aan de door de burgemeester, op het door hem vastgestelde aanvraagformulier, genoemde indieningsvereisten.
3. De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van het evenement van de termijn genoemd in artikel 1:8 afwijken of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen afzonderlijk bepalen op welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend.
4. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en veiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van evenementen.
5. De burgemeester kan plaatsen aanwijzen waarvoor het in dit artikel onder lid 1 genoemde verbod niet geldt.
6. Op een aangewezen plaats als bedoeld in lid 4 van dit artikel is artikel 2:25a van overeenkomstige toepassing met uitzondering van het genoemde in lid 1.
7. Bij bijzondere gelegenheden kan de burgemeester ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
8. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.
10. Als ook een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de behandeling van de anavragen om een vergunning. De burgemeester is het coördinerend bestuursorgaan.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2:25
Evenementenvergunning
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019 (APV)