Een vergunning wordt naast het gestelde in artikel 1:6 tevens ingetrokken:
1. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een in de vergunning genoemde beheerder niet meer als zodanig werkzaam is of indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een niet in de vergunning vermeld persoon leidinggevende of onmiddellijk leidinggevende is geworden;
2. indien zich naar het oordeel van het bevoegd gezag ten aanzien daarvan feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou kunnen opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid en/of de leef- en/of woonsituatie;
3. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur of naar aanleiding van een op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur door het bevoegd bestuursorgaan gevraagd en door het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur uitgebracht advies.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3:17
Intrekken vergunning
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019 (APV)