Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Het verbod is niet van toepassing op:
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
vuur voor koken, bakken en braden, zoals barbecueën binnen de bebouwde kom en in het niet-openbare buitengebied van de gemeente, voor zover het geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.
het verbranden van schoon snoeihout in de maanden oktober tot en maart in het buitengebied van de gemeente. Voor het stoken van een paasvuur is altijd een ontheffing nodig. Zelfs als Pasen binnen deze periode valt.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.
Als er sprake is van een situatie, zoals omschreven in lid 2, onder d. dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden:
Er mag alleen snoeihout afkomstig van landschapsonderhoud en erfbeplanting worden verbrand;
Er mag geen snoeihout, dat is ontstaan binnen de bebouwde kom, naar het buitengebied worden overgebracht om daar te verbranden;
De totale hoeveelheid te verbranden snoeihout mag maximaal 50 m3 zijn. Dit mag geen bedrijfsmatig kap- en snoeihout betreffen. Het mee verbranden van andere (afval)stoffen is nadrukkelijk niet toegestaan;
Vanaf de brandplaats moet de afstand tot woningen van derden en bos- en heidegebieden minimaal 100 meter bedragen. De afstand tot brandbare objecten (gebouwen) en wegen moet minimaal 50 meter bedragen;
De brandplaats mag een maximale oppervlakte hebben van 20 m2;
Er mag geen verbranding binnen het terrein van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer plaatsvinden;
Er moet worden zorggedragen dat er geen verontreiniging van de bodem dan wel oppervlaktewater optreedt. Artikel 13 van de Wet bodembescherming (zorgplicht) en artikel 6.2 van de Waterwet mogen niet worden overtreden. Voor het maken van vuur mag daarom geen gebruik worden gemaakt van vloeibare brandstoffen;
Vanaf de brandplaats moet een afstand van minimaal 5 meter tot een watergang worden aangehouden;
Het verbranden van snoeihout moet geschieden op een voorziening, zoals bijvoorbeeld beton, stenen, tegels of metaal;
De verbrandingsresten moeten binnen 72 uur na de verbranding op een verantwoorde wijze worden verwijderd en afgevoerd;
De weersomstandigheden moeten voldoen aan de volgende twee eisen:
Het moet droog weer zijn, dus bij regen of mist mag er geen verbranding plaatsvinden;
De windkracht mag maximaal 5 Beaufort zijn (max. 10,7 m/s).
Er mag allen gestookt worden als op de site van Natuurbrandrisico.nl fase 1 wordt gegeven;
Er mag geen gevaar of overlast voor de omgeving optreden. Dit geldt zowel voor buurtbewoners als het verkeer;
Er moet onafgebroken toezicht zijn op het vuur door een meerderjarige;
Er moet worden zorggedragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijke rookontwikkeling plaatsvindt. Verder moet zodanig worden gestookt, dat er geen vliegvuur of hinder ten gevolge van rook kan ontstaan. Bij hinder aan derden moet het stoken direct worden beëindigd;
Er moeten voldoende blusmiddelen aanwezig zijn om, indien nodig, het vuur te temperen of te doven. Dit kan bijvoorbeeld met (een combinatie van) de volgende blusmiddelen:
een schop en voldoende zand;
een tuinslang of emmers water;
een brandblusser.
Verbranding mag slechts plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang;
Er mag geen verbranding plaatsvinden op zon- en feestdagen, met uitzondering van paas- en kampvuren;
Aanwijzingen van het bevoegd gezag (zoals politie, brandweer of gemeente) worden in verband met openbare orde en/of veiligheid direct gevolgd.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of bij of krachtens de Omgevingswet. de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 9. Asverstrooiing
Hoofdstuk 5
Artikel 5:28
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019 (APV)