Algemeen afwegingskader
Het college zoekt samen met de jeugdige en/of diens ouders/verzorgers en het sociale netwerk naar de meest passende oplossing voor zijn of haar hulpvraag. Om te bepalen wat er nodig is, wordt een zorgvuldig proces doorlopen wat uit de volgende stappen bestaat:
Brede uitvraag: bepalen op welke levensgebieden er (hulp)vragen zijn;
Vraagstukverheldering; wat is de vraag of behoefte van de ouders en/of jeugdige;
Indien noodzakelijk aanvullend (extern) onderzoek.
Verkenning van de oplossingsopties; welke hulp en / of ondersteuning is nodig.
Bepalen in overleg hoe deze hulp en / of ondersteuning het beste geboden kan worden.
Bij elke hulpvraag onderzoekt het college eerst wat de jeugdige en/of diens ouders zelf kan/kunnen oplossen. Dit noemen we eigen kracht. Vervolgens onderzoekt het college wat met behulp van gebruikelijke zorg door ouders/verzorgers, mantelzorg en het sociaal netwerk kan worden opgelost. Ook onderzoekt het college of andere voorzieningen en algemene voorzieningen oplossingen kunnen bieden. Wanneer dit allemaal geen passende oplossing biedt, onderzoekt het college of een individuele voorziening al dan niet in combinatie met het voorgaande een passende oplossing is. Tijdens het onderzoek kan het college extern advies opvragen. Dit geldt voor zowel zorg in natura (ZIN) als persoonsgebonden budget (pgb).
Als een individuele voorziening de best passende oplossing is, kan de jeugdige en/of ouder kiezen tussen een individuele voorziening in natura (ZIN, artikel 3) en een individuele voorziening via een pgb (artikel 4).
Hieronder worden aspecten uit het afwegingskader extra toegelicht.
Eigen kracht
Het college onderzoekt bij iedere hulpvraag of er vanuit eigen kracht een passende oplossing mogelijk is. Voorbeelden hiervan zijn:
het zelf inschakelen van familieleden, vrienden en / of vrijwilligers;
een beroep doen op andere wet- en regelgeving. In hoofdstuk 5 beschrijven we hoe we omgaan met de Jeugdwet en de wetten waarmee veel raakvlakken zijn: de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet Passend onderwijs en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo);
Daarnaast geldt ook voor andere, niet nader benoemde wetten of voorzieningen, dat wanneer een jeugdige en/of ouder hierop beroep kan doen om de hulpvraag op te lossen dit als een passende oplossing wordt gezien;
gebruik maken van algemene voorzieningen.
Gebruikelijke zorg
Het college onderzoekt bij elke hulpvraag of inzet van gebruikelijke zorg een passende oplossing is. Gebruikelijke zorg is de dagelijkse verzorging en opvoeding die (pleeg)ouders/wettelijke vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden. Dit geldt ook als de ouder de gebruikelijke zorg vanwege een eigen aandoening, beperking, stoornis of handicap niet kan bieden. We maken hierbij gebruik van de richtlijn ‘gebruikelijke zorg’ uit de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2017. Zie bijlage 1 voor verdere uitwerking. Het uitgangspunt van de Richtlijn is de zorg die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan kinderen zonder beperkingen. Permanent toezicht (gedurende een bepaalde ontwikkelingsfase) in de zin van onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, valt niet onder gebruikelijke zorg. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties kan worden voorkomen.
Mantelzorg
Het college onderzoekt of de hulpvraag kan worden opgelost door de inzet van mantelzorg. Wanneer er al sprake is van mantelzorg, wordt de mantelzorger zoveel mogelijk bij het onderzoek betrokken. Hierbij onderzoekt het college of de mantelzorger behoefte heeft aan ondersteuning en zoekt ook daarvoor samen met de jeugdige en/of ouder en de mantelzorger naar een passende oplossing. Wanneer iemand uit het sociaal netwerk betaald wordt voor zijn of haar dienstverlening, noemt het college dit geen mantelzorg.
Mantelzorg kan een passende oplossing zijn wanneer iemand vanuit het sociale netwerk van de jeugdige mantelzorg wil en kan verlenen. Het college verplicht het verlenen van mantelzorg niet.
Regie
Het college werkt volgens het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur, met de regie zo veel mogelijk bij het gezin zélf. Er is altijd een casusregisseur aanwezig als er meerdere partijen betrokken zijn. ‘t Baken wijst deze casusregisseur aan. Dat kan een consulent van ’t Baken zijn, tenzij er een reden is om een andere betrokken professional vanuit de jeugdhulp aan te wijzen als casusregisseur. Redenen kunnen zijn dat dit beter passend is, de cliënt het zelf wenst, en de betreffende aanbieder dit ook in staat is te bieden en de professional ook daadwerkelijk de casusregisseur is. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het product Zorgcoördinatie uit het productenboek van de regio Midden IJssel Oost-Veluwe. Ook een door een cliënt zelf gekozen persoon uit zijn/haar informele netwerk kan deze rol vervullen. Als er sprake is van een jeugdbeschermingsregel heeft de Gecertificeerde Instelling (GI) deze rol.
Plan van Aanpak
’t Baken werkt met een Plan van Aanpak wat met betrekking tot het onderdeel jeugd gezamenlijk in de regio is ontwikkeld. Het Plan van Aanpak vermeldt de in te zetten zorg en ondersteuning met gebruikmaking van eigen kracht en netwerk. Het gaat hierbij zowel om de vrij toegankelijke voorzieningen waarvan de jeugdige en/of de ouders gebruik gaan maken en/of de individuele voorzieningen waarvoor de jeugdige en/of de ouders een aanvraag indienen bij het college.
Paragraaf 3. Beoordeling