1 Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:
a de weigering van burgemeester en wethouders een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument te verlenen als bedoeld in de artikelen 9, lid 2, 20, lid 1 en 23, lid 2, van deze verordening.
b voorschriften door burgemeester en wethouders verbonden aan een vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van een gemeentelijk monument schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven kennen burgemeester en wethouders op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
2 Voor de behandeling van de verzoeken tot vergoeding van schade zijn de bepalingen van de Procedureverordening planschadevergoeding van toepassing.