De leidinggevende:
geeft het goede voorbeeld aan zijn medewerkers;
is open over zijn manier van werken en aanspreekbaar op zijn werkwijze en houding naar de medewerkers toe;
staat open voor vragen van medewerkers over de juiste manier van handelen;
bespreekt twijfels en vragen over integriteit in het werkverband en stimuleert de medewerkers hetzelfde te doen;
reageert alert op risicogevoelige situaties waarin medewerkers terecht kunnen komen;
spreekt medewerkers aan op niet integer gedrag, maakt afspraken en treft zo nodig maatregelen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 3.
Artikel 2.3.1