**1..** Het mondeling afleggen van de ambtseed of de ambtsbelofte overeenkomstig de bijgevoegde formulieren (bijlage 1 en 2) is verplicht voor iedere werknemer.
**2..** Het afleggen van de ambtseed of ambtsbelofte vindt binnen een half jaar na de indiensttreding plaats.
**3..** De ambtseed of de ambtsbelofte wordt door de werknemers ten overstaan van de burgemeester afgelegd.
**4..** Het afleggen van de ambtseed of ambtsbelofte vindt staande plaats, tenzij er een dwingende reden bestaat waardoor dit niet mogelijk is.
**5..** De werknemer is vrij om te kiezen tussen de ambtseed of de ambtsbelofte. Voorafgaande aan de bijeenkomst wordt naar zijn keuze gevraagd.
**6..** Aan het afleggen van de ambtseed of de ambtsbelofte, die bij voorkeur plaatsvindt in een speciaal daarvoor georganiseerde bijeenkomst, gaat een toespraak vooraf, waarin gewezen wordt op de bijzondere verantwoordelijkheid van de gemeente en waarin de positie van de werknemers van de gemeente en de waarde en inhoud van de ambtseed en de ambtsbelofte worden toegelicht.
**7..** Het afleggen van de ambtseed of ambtsbelofte gebeurt als volgt:
de burgemeester leest de eedsformule of de belofteformule voor;
de werknemer die de ambtseed aflegt steekt vervolgens de wijs- en middel vinger van zijn rechterhand aaneengesloten op en spreekt daarbij uit: ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’, ‘Zo waarlijk helpe mij Allah de Erbarmer, de Barmhartige’ of een toepasselijke Hindoeïstische of Boeddhistische tekst. De werknemer die de ambtsbelofte aflegt steekt de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand aaneengesloten op en spreekt de woorden uit: ‘Dat verklaar en beloof ik’.
**8..** Naast de mondelinge aflegging van de ambtseed of ambtsbelofte ondertekent de werknemer twee keer een formulier (bijlage 1 of 2). Eén exemplaar wordt bewaard in het personeelsdossier, het andere exemplaar wordt tijdens de bijeenkomst uitgereikt aan degene die de eed of belofte heeft afgelegd.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1