Naar hoofdinhoud
1.. Aflossing van de geldlening vindt rentevrij plaats gedurende ten hoogste 10 jaar. 2.. Jaarlijks dient tenminste een bedrag van 10% van de hoofdsom te worden terugbetaald. 3.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindigen van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats. 4.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van 1 jaar vastgesteld. 5.. Bij een inkomen dat niet boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, als bedoeld in de Participatiewet uitgaat, wordt geen aflossing gevergd. 6.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kunnen burgemeester en wethouders zo nodig tussentijds het maandbedrag op een hoger dan wel lager bedrag vaststellen. 7.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in lid 6 wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van de belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 8.. Indien de belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van 10 jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar.

Rechtspraak bij dit artikel