Naar hoofdinhoud
1.. Een persoon met een beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. 2.. Een woonvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van de woonruimte waar de persoon met beperking woonachtig is of zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden. 3.. Woonvoorzieningen worden onder andere onderscheiden in: verhuis-en inrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing; roerende woonvoorzieningen; overige woonvoorzieningen. 4.. Het bezoekbaar maken van één woonruimte waarbij de persoon met een beperking in ieder geval de woonkamer en een toiletvoorziening kan bereiken en gebruiken wordt beschouwd als een bouwkundige of woontechnische aanpassing wanneer de persoon met een beperking woonachtig is in een instelling voor langdurige zorg. 5.. Een traplift wordt beschouwd als een roerende woonvoorziening. 6.. De woonvoorziening verhuizen of woningsanering wordt verstrekt in natura of als PGB, tenzij een persoon met een beperking kiest voor een tegemoetkoming in aannemelijke meerkosten. 7.. De in lid 6 genoemde woonvoorziening verhuizen wordt alleen verstrekt als de nieuwe woonruimte voldoet aan het programma van eisen, zoals gesteld in de beschikking. 8.. Het recht op de genoemde voorzieningen in lid 6 vervalt in beginsel 2 jaar nadat de beschikking daarvoor is afgegeven, tenzij er bijzondere omstandigheden te benoemen zijn.

Rechtspraak bij dit artikel