Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door of namens het college aangewezen plaats;
buiten de bebouwde kom op een door of namens het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een nader identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
Door of namens het college kunnen plaatsen worden aangewezen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt.
De verboden genoemd in het eerste lid onder a tot en met c gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.
HOOFDSTUK 2. › Paragraaf
Artikel 2:57
loslopende honden
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad inhoudende de Algemene Plaatselijke Verordening