Naar hoofdinhoud
Begin 2009 zijn het Rechtspositiebesluit commissarissen van de Koning, het Rechtspositiebesluit gedeputeerden, het Rechtspositiebesluit burgemeesters en het Rechtspositiebesluit wethouders gewijzigd. De aanpassing gaf een rechtsbasis voor een vergoeding ten laste van het Rijk aan commissarissen der Koningin en burgemeesters voor de door hen verschuldigde inkomstenbelasting voor het gebruik van de dienstauto of beschikbaar gestelde auto voor niet ambtsgebonden nevenfuncties. Voor Provincies en Gemeenten is met deze wijziging van de rechtspositiebesluiten de mogelijkheid geopend om te besluiten of zij hun bestuurders een dergelijke compensatie willen bieden. In artikel 23a van het Rechtspositiebesluit wethouders is de bevoegdheid tot toekenning van een vergoeding voor aan een wethouder voor het gebruik van de dienstauto opgelegde loon- en inkomstenbelasting, neergelegd bij het college van burgemeester en wethouders. De Belastingdienst heeft omstreeks 2008 bij een aantal provincies en gemeenten naheffingen opgelegd voor het gebruik van de dienstauto anders dan uit hoofde van het ambt (nevenfuncties niet qualitate qua). Ook bij de gemeente Haarlemmermeer heeft dit geleid tot een naheffing in 2008 over de jaren 2002 tot en met 2007 ter grootte van € 82.957,--. Gemiddeld derhalve een bedrag van € 11.851,-- per jaar. Aanleiding voor de naheffing was het ontbreken van een sluitende rittenadministratie waaruit bleek dat de dienstauto alleen was ingezet voor zakelijke doeleinden. Maximaal 500 kilometer mag in dat geval privé zijn, hetgeen aangetoond moet worden door een sluitende rittenadministratie. Inmiddels wordt nauwgezet het gebruik van de dienstauto (doel, kilometers en gebruiker) bijgehouden. De Belastingdienst hanteert een zeer strikte definitie van het al dan niet ambtsgebonden gebruik van de dienstauto. Naast kilometers voor de uitoefening van de functie van wethouder kunnen uitsluitend de kilometers voor ambtsgebonden nevenfuncties als zakelijk worden aangemerkt. Ambtsgebonden nevenfuncties vloeien voort uit het ambt. Van een ambtsgebonden is in elk geval sprake als de ambtsdrager zich er niet aan kan onttrekken en de functie moet worden beëindigd als het ambt niet meer wordt uitgeoefend. Of met de nevenfunctie een maatschappelijk of algemeen belang is gediend, is fiscaal bezien geen criterium voor het begrip ambtsgebonden nevenfunctie. Ook is het fiscaal niet relevant of door het college en/of gemeenteraad toestemming is gegeven voor het vervullen van de nevenfunctie en het gebruik van de dienstauto voor dat doel. In de Gedragscode Integriteit voor B&W Haarlemmermeer zijn criteria gesteld waaraan een nevenfunctie moet voldoen wil sprake zijn van qualitate qua functie. Deze criteria luiden in ieder geval als volgt: Aanbeveling, voordracht, keuze of benoeming geschiedt door de raad of burgemeester en wethouders. Het betreft een functie in een orgaan waarin de gemeente deelneemt of waarvan zij deel uitmaakt. Er is een aantoonbaar belang voor de gemeente dat de nevenfunctie wordt vervuld door een gemeentebestuurder. Men is benoemd vanuit een andere qualitate qua nevenfunctie. Om te voorkomen dat hier een discrepantie ontstaan met de definitie van de Belastingdienst is in artikel 4 van de verordening expliciet opgenomen de bevoegdheid die het college reeds op grond van artikel 23a Rechtspositiebesluit wethouders heeft.

Rechtspraak bij dit artikel