Het AB benoemt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode een DB, dat bestaat uit de voorzitter (of plaatsvervangend voorzitter) en een collegelid uit het AB per deelnemende gemeente. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter komen niet uit dezelfde gemeente.
De leden van het DB treden af als lid van dat bestuur met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van het AB afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het AB een nieuw DB heeft aangewezen.
Een lid van het DB kan te allen tijde ontslag nemen.
Degene die tussentijds ophoudt lid van het AB te zijn, houdt tevens op lid van het DB te zijn.
Indien tussentijds een vacature ontstaat in het DB, wijst het AB zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
Een lid van het DB kan door het AB worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van het AB geniet. De artikelen 49 en 50 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Hoofdstuk 4
Artikel 9
Samenstelling
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam) Plusteam