Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2:10

Voorwerpen op of aan de weg

Onderdeel van ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2019

Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet voor de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan het bepaalde in het vierde lid en aan de nadere regels uit hoofde van het vijfde lid en er uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het anders gebruiken van de openbare plaats dan de publieke functie ervan schriftelijk of digitaal een melding is gedaan. uitstallingen; bouwobjecten; plantenbakken en banken; spandoeken; reclameborden t.b.v. verkiezingen; springkussens; nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. Het bevoegde bestuursorgaan stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in het vierde lid. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zuid-Holland. In dit artikel wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel