Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening minimaregelingen Leeuwarden 2012”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 januari 2012,
, voorzitter
, griffier
Toelichting
Algemeen
Deze verordening regelt diverse voorzieningen welke de gemeente Leeuwarden kent voor mensen met een laag inkomen en hun ten laste komende kinderen. De nieuwe verordening vervangt de verordening sportieve en culturele activiteiten 2009.
Ter bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden wordt de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 januari 2012 aangepast. Het pakket maatregelen heeft
tot doel het versterken van het activerende karakter van de Wet werk en bijstand. Dit gebeurt enerzijds door het aanscherpen van de verplichtingen waaraan uitkeringsgerechtigden moeten voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te treffen waardoor de vangnetfunctie van de Wet werk en bijstand wordt versterkt.
De belangrijkste maatregelen zijn het aanscherpen van de regels ten aanzien van jongeren tot 27 jaar die thans onder de Wet investeren in jongeren vallen en het overhevelen van deze categorie van belanghebbenden naar de Wet werk en bijstand, het afschaffen van de bijstand voor inwonenden, het vervangen van de toets op het inkomen van de partner door een toets op gezinsniveau (huishoudinkomen), de maximering van het gemeentelijk minimabeleid en de introductie van de mogelijkheid om de verplichting op te leggen om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten als
tegenprestatie voor bijstandsverlening.
Het maximeren van het gemeentelijk minimabeleid heeft gevolgen voor de verordening minimaregelingen. Tevens is in artikel 8, lid 1, onderdeel g van de WWB een verordeningsplicht toegevoegd ter bevordering van de participatie van minderjarige, schoolgaande kinderen. Daarbij voert de Gemeente Leeuwarden sinds 1998 in het kader van haar minimabeleid een drietal niet door de wet geregelde of voorgeschreven minimaregelingen uit. Op grond van deze eigen lokale regelingen wordt onder bepaalde voorwaarden aan burgers met een laag inkomen een vergoeding verstrekt voor kosten van deelname aan de samenleving, de aanschaf van een identiteitskaart en zwemles voor kinderen voor het behalen van het zwemdiploma A.
De voorwaarden waaronder de kosten van deelname aan de samenleving, de identiteitskaart en de zwemlesfaciliteit kunnen worden vergoed zijn op dit moment geregeld in de Verordening minimaregelingen Leeuwarden 2011.
De regeling voor tegemoetkoming in participatiekosten van schoolgaande minderjarige kinderen is aan deze verordening toegevoegd omdat het soort kosten overeenkomt met de tegemoetkoming participatiekosten voor volwassenen. Hiermee voldoet de Gemeente Leeuwarden aan haar verordeningsplicht op grond van artikel 8, lid 1, onderdeel g van de WWB.
Waar nodig wordt verduidelijking gegeven in de onderstaande artikelsgewijze toelichting.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 Begripsbepalingen
Dit artikel bevat een aantal omschrijvingen van begrippen die in de verordening worden gehanteerd. Doel van deze begripsomschrijvingen is om
duidelijkheid te verschaffen over de aard van de vergoedingen en de
zwemfaciliteit, voor wie deze zijn bestemd en wat de voorwaarden zijn om
daarvoor in aanmerking te komen. Daarbij is uit oogpunt van eenduidigheid
in de uitvoeringspraktijk tevens beoogd dezelfde begrippen die in de
diverse minimaregelingen voorkomen zoveel mogelijk gelijkluidend te
definiëren. Dit betreft een aantal begrippen die zowel in deze verordening
worden gehanteerd alsook in de verordening langdurigheidstoeslag, de
beleidsregel categoriale bijzondere bijstand voor ouderen, gehandicapten en
chronisch zieken en in de beleidsregel categoriale bijzondere bijstand
collectieve ziektekostenverzekering.
Het begrip “bijstandsnorm” verdient enige toelichting. Dit begrip wordt gebruikt om tot uitdrukking te brengen hoe hoog het inkomen van de aanvrager mag zijn om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Onze gemeente kent diverse toeslagen c.q. verlagingen voor woningdeler situaties die de bijstandsnorm kunnen verhogen of verlagen(Toeslagenverordening). Mensen met een ander inkomen dan bijstand kennen een dergelijk onderscheid uiteraard niet. Om te voorkomen dat bij iedere aanvraag een onderzoek naar de exacte woonsituatie gedaan moet worden, is in deze verordening geregeld dat een indeling naar een alleenstaande, alleenstaande ouder of gezin voldoende is. Hierbij wordt uitgegaan van een maximale toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders en wordt bij gezinnen geen verlaging toegepast. Een verdere specificatie naar bijvoorbeeld onderhuurder, kostganger, woningdeler blijft dus achterwege. Naast het voordeel van een praktische uitvoering zullen aanvragers met een ander minimuminkomen dan bijstand eerder voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Dit beleid is een voortzetting van het huidige gemeentelijke uitvoeringsbeleid.
Artikel 2 Doel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting
Artikel 3 Doelgroep
De doelgroep wordt gevormd door belanghebbenden die volgens de Wet
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als inwoner van de
gemeente Leeuwarden staan ingeschreven. Dit kunnen behalve personen met een
woonadres ook personen met een briefadres zijn. Men dient Nederlander te
zijn of daarmee gelijk te worden gesteld zoals omschreven in dit artikel om
te voorkomen dat degenen die geen beroep op de openbare kas mogen doen wel
voor een vergoeding of faciliteit als bedoeld in deze verordening in
aanmerking kunnen komen.
Meerderjarige studerenden als bedoeld in de WSF 2000 en meerderjarige
studenten en leerlingen als bedoeld in de WTOS zijn uitgesloten omdat
bevordering van participatie voor deze groepen voor zover nodig naar ons
oordeel veeleer onder de verantwoordelijkheid van het onderwijsveld valt.
Ook uit oogpunt van kostenbeheersing en ter voorkoming van een aanzuigende
werking worden zij uitgesloten.
Artikel 4 Opdracht aan het college
Dit artikel vormt de basis voor uitvoering van de verordening door het
college. Daartoe behoort ook de ruimte om voor het geval dat nodig is
beleidsregels te stellen, vanzelfsprekend binnen de kaders van de
verordening.
Artikel 5 Aanspraak
In artikel 1 is “aanspraak” gedefinieerd als een recht. Als aan de
voorwaarden van de voorzieningen voldaan is, heeft de belanghebbende recht op de aangevraagde vergoeding of faciliteit.
Artikel 6 Maatschappelijke participatiekosten
De in dit artikel opgenomen voorwaarden en verplichting spreken grotendeels
voor zich. Er bestaat geen aanspraak als aan een voorwaarde niet wordt
voldaan.
De aanvrager wordt ruimschoots in de gelegenheid gesteld om na het maken van de kosten daarvoor nog een vergoeding aan te vragen. Uit oogpunt van
efficiënte uitvoering is het ongewenst om na de uiterste datum ingediende aanvragen toe te wijzen.
Artikel 7 Aanschaf van een identiteitsbewijs
Sinds 2005 bestaat voor alle personen vanaf 14 jaar de
toonplicht als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht. Aan deze toonplicht kan worden voldaan met een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van die wet. Dit zijn verschillende documenten waaronder de Nederlandse identiteitskaart.
De vergoeding is bedoeld voor de noodzakelijke eerste aanschaf van
een identiteitsbewijs en voor vervanging ten gevolge van het verlopen
van de geldigheidsduur. Indien en zolang men reeds een ander voor de
toonplicht geldig identiteitsbewijs heeft (bijv. een paspoort of
rijbewijs), dan wordt geen vergoeding verstrekt voor aanschaf van een
nieuw identiteitsbewijs.
Artikel 8 De zwemlesfaciliteit
behoeft verder geen toelichting
Artikel 9 Intrekking en vaststelling bestuursrechtelijke geldschuld
Op grond van artikel 4 onder e is het college bevoegd om met inachtneming
van artikel 8 een ten onrechte verstrekte vergoeding of faciliteit in te
trekken en een bestuursrechtelijke geldschuld op te leggen conform titel
4.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat is bijvoorbeeld mogelijk als
belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt over het
inkomen of vermogen. Ook als niet ten gevolge van onjuiste of onvolledige
informatie van belanghebbende maar door een fout van de uitvoerder een
vergoeding ten onrechte is verstrekt en belanghebbende dit wist of behoorde
te weten kan deze worden ingetrokken. Als de vergoeding bijvoorbeeld door
een vergissing twee keer over hetzelfde kalenderjaar wordt verstrekt kan
belanghebbende weten dat dit ten onrechte is omdat hij weet of kan weten
dat hij maar één keer over dat jaar aanspraak kan maken op de vergoeding
Het betreffende besluit levert een titel op als bedoeld in artikel 4:85,
lid 1 onder b van de Algemene wet bestuursrecht op basis waarvan
belanghebbende verplicht kan worden een geldschuld te betalen.
Artikel 10, 11, 12 en 13 behoeven geen toelichting.