**1..** De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op een aan-sluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werk-loos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrok-kene:
die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;
die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de dienst-tijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt vermin-derd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloos-heidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.
**2..** De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aan-sluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ou-derdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.
**3..** Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de ar-tikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
**4..** Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.
Hoofdstuk 10a › Paragraaf 3
Artikel 10a:16a