Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11

Artikel 11:20

Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering

Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent arbeidsvoorwaarden CAR-UWO 2019

1.. Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde, be-doeld in artikel 11:7, tweede lid onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld inge-volge artikel 11:7, eerste lid vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloos-heid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloos-heid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering. 2.. Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begre-pen: het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking; het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voor zover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbe-trekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat. 3.. Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene: binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als be-doeld in artikel 11:6, eerste lid onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aan-vaard; en in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als be-doeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet. 4.. Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken. 5.. De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid bedraagt zes maanden, vermin-derd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid. 6.. Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid op aanvraag door de betrokkene. 7.. Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel