Naar hoofdinhoud
1.. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan de berekenings-grondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden. 2.. Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd aan de langstlevende der echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde; bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aan-zien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. 3.. Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgeno(o)t(en) of geregi-streerde partner(s) aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk ge-slacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft perso-nen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat. 4.. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en boven-dien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. 5.. Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werk-loosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.

Rechtspraak bij dit artikel