Naar hoofdinhoud
Uitgangspunt is en blijft dat de primaire verantwoordelijkheid voor het levensonderhoud van jongeren t/m 20 jaar bij de ouders ligt. Bij de beoordeling van de bijzondere omstandigheden moet, gelet op het bepaalde in artikel 12 PW, altijd eerst worden nagegaan of de jongere een beroep kan doen op een bijdrage in zijn bestaanskosten door de ouder(s). Ook de verhaalsmogelijkheden moeten hierbij worden bekeken. Daarnaast kan van een jongere van 18 t/m 20 jaar in de regel worden verwacht dat hij zelf in zijn levensonderhoud voorziet. Gaat het om een studerende jongere dan moet worden bezien in hoeverre de jongere naast zijn studie ter aanvulling op de tegemoetkoming scholieren inkomsten kan verwerven door het verrichten van betaalde arbeid. Verder moet duidelijk zijn dat de jongere nog geen startkwalificatie heeft. Voor jongeren met een startkwalificatie geldt immers de kortste weg naar betaald werk. Zowel voor studerende als niet-studerende jongeren die een beroep doen op artikel 12 PW geldt dat strikt wordt toegezien op de naleving van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Voor de groep jongeren die via een indicatiestelling in het kader van de Jeugdwet of de WMO in een inrichting verblijft of zelfstandig gehuisvest is, zijn de arbeids- en re-integratieverplichtingen natuurlijk veel meer een vorm van maatwerk. Bij het vaststellen van de noodzaak om aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud te verlenen aan jongeren van 18 t/m 20 jaar dient ook individueel beoordeeld te worden of er een noodzaak bestaat voor het evt. zelfstandig wonen. Met zelfstandig wonen wordt hier eveneens gedoeld op intramurale en semi-murale woonvormen. De noodzaak van zelfstandig wonen wordt in ieder geval aanwezig geacht, indien: de ouders van de jongere overleden zijn, of in het buitenland wonen; de jongere in het kader van de Jeugdwet of de WMO een indicatie heeft om buiten het gezinsverband van zijn ouder(s) te worden geplaatst; de jongere op het moment van bijstandsverlening reeds 12 maanden of langer uitwonend is en gedurende die periode zelfstandig in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien door middel van arbeid (ook gesubsidieerde arbeid), uitkering in verband met arbeid (ZW of WW) of door studiefinanciering;

Rechtspraak bij dit artikel