Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.5

Ontwikkelingen

Onderdeel van Beleidskader VTH milieu 2019-2022

Ontwikkelingen Het omgevingsrecht blijft de komende jaren in beweging onder invloed van een aantal ontwikkelingen. De belangrijkste daarvan voor ODIJ en haar gemeenten zijn: Komst van de Omgevingswet en de ontwikkeling van omgevingsvisies en –plannen; Energietransitie en circulaire economie; Asbestdakenverbod; Toenemende (regionale) samenwerking met handhavingspartners en brede aanpak omgevingsproblematiek; Dataverzameling en –deling. Ook de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving worden geraakt door deze ontwikkelingen. Tegelijkertijd kan via de uitvoering van deze taken bijgedragen worden aan realisatie van de doelstellingen van gemeenten en provincie op deze vlakken. Dat vraagt om keuzes in de ontwikkelrichting van VTH bij ODIJ. 3.5.1 Gebiedsgerichte aanpak De afgelopen jaren is ODIJ gestart met een gebiedsgerichte aanpak bij de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De uitvoering is daarbij ingericht naar de regio’s Zuid-Kennemerland (Bloemendaal, Haarlem, Heemstede, Zandvoort), IJmond (Beverwijk, Heemskerk, Velsen, Uitgeest) en Zaanstreek-Waterland (Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland). Door de uitvoering van VTH in de regio’s te beleggen wordt gerealiseerd dat een scherper beeld ontstaat van de problematiek in een gebied, zijn de lijnen met partners in toezicht en van andere domeinen korter en kan effectiever ingezet worden op gewenste resultaten. De gebiedsgerichte aanpak kan daarnaast ook een goede basis vormen voor de realisatie van beleidsdoelstellingen van de gemeente op andere vlakken dan sec toezicht en handhaving. Daarbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het mobiliteitsvraagstuk. Een integrale aanpak waarbij bestaande programma’s zoals IJmond Bereikbaar op grotere schaal uitgerold en geïntegreerd kunnen worden. 3.5.2 Grip op activiteiten Vooropgesteld wordt dat de actualiteit van vergunningen en het regelgevend kader bij bedrijven, alsook een stringente handhaving van geconstateerde overtredingen, tot de kernopdracht bij de uitvoering van VTH behoort. De programmatische en risicogerichte aanpak op de klassieke milieuthema’s lucht, geluid, bodem en externe veiligheid die de afgelopen jaren is gestart, laat resultaat zien en wordt doorontwikkeld. Hoewel er op basis van deze aanpak meer tijd wordt gestoken in het uitvoeren van een goede analyse van de doelgroepen en afstemming met partners aan de voorzijde, ten koste van aantallen inspecties die worden uitgevoerd, is het resultaat dat bij de inspecties die worden uitgevoerd veelal ook een daadwerkelijk probleem moet worden opgelost. Activiteitengericht werken wordt verder uitgerold. Richting de Omgevingswet worden clusters van activiteiten (branches) benoemd waarvoor een uniforme aanpak vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt bepaald. Het doel hiervan is efficiënter te kunnen optreden, waarbij gelijke inrichtingen op een uniforme wijze worden gecontroleerd, maar biedt tevens de mogelijkheid regionaal bepaalde aspecten te prioriteren. Binnen ODIJ zijn branches vastgesteld op basis van veelvoorkomende bedrijven binnen haar complete werkgebied. Op basis van analyses van het gebied, de clusters van activiteiten die daar plaatsvinden en de specifieke risico's die hiermee samenhangen wordt een aanpak gekozen die aansluit bij de geïdentificeerde doelgroepen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende datasets en gegevensbronnen, zoals de eigen GIS-viewer waarin een groot aantal bronnen samenkomen, het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen en het Landelijk Asbestvolgsysteem. Waar dat toegevoegde waarde biedt worden gezamenlijk projecten gedraaid met onder meer politie, justitie, douane, marechaussee, ILT, ISZW, gemeenten, waterschappen en andere omgevingsdiensten. Bij een groot deel van het bedrijvenbestand is het naleefgedrag goed, waarbij de methode van zelfcontrole via digitale checklisten die door ondernemers zelf kunnen worden ingevuld, aangevuld met een steekproefsgewijze fysieke inspectie, een effectieve blijkt. Dit past in de lijn van het terugleggen van verantwoordelijkheden bij degene die de activiteiten verricht. Bij een aantal risicovolle activiteiten blijven we met een vaste frequentie vinger aan de pols houden. Dit betreffen onder meer (net niet-) Bevi-inrichtingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen en vuurwerk, LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, natte koeltorens en bedrijven waar wettelijk een vaste controlefrequentie voor geldt. 3.5.3 Ketens Afval- en grondstromen vormen landelijk en daarmee ook in het werkgebied van ODIJ een prioritaire activiteit. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat hier stelselmatig overtredingen plaatsvinden. Onzorgvuldige omgang op deze thema’s levert milieurisico’s op. Met (administratief) toezicht en digitale recherche komen steeds vaker onzorgvuldig en in sommige gevallen frauduleus handelen aan het licht. Het financieel gewin dat te behalen valt in deze sector is immers groot. 3.5.4 Verbrede aanpak omgevingsproblematiek De openbare ruimte en het fysieke domein schuiven steeds meer ineen. In toenemende mate wordt samengewerkt met de gemeente, politie, OM, douane, ILT, ISZW en andere partners aan de aanpak van omgevingsproblematiek en bestrijding van criminaliteit en ondermijnende activiteiten. Hiermee wordt invulling gegeven aan de opdracht aan omgevingsdiensten tot een geïntegreerde aanpak in samenwerking met partners te komen. Via casusoverleggen en het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) vinden afstemming en gecoördineerde acties plaats door de samenwerkende instanties, ieder vanuit zijn of haar bevoegdheden. Uiteraard met een scherp oog op het verbod van détournement de pouvoir. De multidisciplinaire aanpak werpt zijn vruchten af. Door het actief delen en koppelen van informatie (oog- en oorfunctie) ontstaat sneller een beter beeld van niet-normconforme situaties en kan de juiste inzet bepaald worden. 3.5.5 Asbestdaken In voorbereiding op het aanstaande verbod op asbestdaken heeft ODIJ de afgelopen periode voor haar gemeenten de asbestverdachte daken in kaart gebracht. In de vergadering van het algemeen bestuur van juli 2018 is dit gepresenteerd en is de vervolgaanpak besproken. De komende vier jaar wordt in nauwe samenwerking met gemeenten, veiligheidsregio’s, verzekeraars en brancheorganisaties toegewerkt naar volledige verwijdering, in eerste instantie verleidend, maar richting 2024 wellicht ook preventief handhavend. De focus bij de aanpak ligt op slimme combinaties met verduurzaming. Per gemeente wordt een aanpak uitgewerkt, passend bij de opgave op het gebied van asbestdaken die per gemeente kan verschilt. 3.5.6 Energietransitie en circulaire economie Zonder uitzondering hebben de gemeenten en provincie waar ODIJ voor werkt een opgave op het gebied van de energietransitie en circulaire economie. 50% CO2-reductie in 2030, 95% CO2-reductie in 2050 en een volledig circulaire economie in 2050 zijn de doelen waar naar gestreefd wordt. Energiebesparing en inzichtelijk maken van grondstoffen- en afvalstromen zijn twee elementen waar de afgelopen jaren al vanuit VTH op werd ingezet om een bijdrage te leveren aan de realisatie van deze doelen. Vanuit ODIJ zien we hier de mogelijkheid tot een verdere verbreding van de rol van vergunningverleners en toezichthouders naar besparingsadviseurs, zowel op energie- als afval- en grondstoffengebied. Tegelijkertijd voert ODIJ deze taken voor het grootste deel van haar eigenaren beide uit, hetgeen tot synergie leidt. Dit zorgt op sommige vlakken voor een vermenging van beleids- en uitvoeringstaken. Programma’s als IJmond Bereikbaar en GreenBiz zijn hier voorbeelden van. Met de ontwikkeling van een (dynamische) potentieelscan wordt gewerkt aan een inschatting van het potentieel aan te nemen energiemaatregelen voor volledige bedrijventerreinen en individuele bedrijven. Op die manier kan toegewerkt worden naar energiepositieve bedrijventerreinen. De eerste ervaringen op de Kagerweg stemmen daarbij hoopvol. De insteek is er daarbij op gericht vanuit een positieve framing en goede businesscase de ondernemers op een bedrijventerrein te bewegen tot de vergroening van hun terrein. Daarnaast blijft inzet op 2.15 Wet milieubeheer, omgekeerde bewijslast en erkende maatregelen staande uitvoering. Op landelijk en regionaal niveau levert ODIJ input aan verschillende beleidsontwikkelingen op dit vlak, zoals recent de klimaattafels onder het Klimaatakkoord (o.a. industrie en energie) en de klimaattafel industrie NZKG. 3.5.7 Omgevingswet en VTH Inwerkingtreding van de Omgevingswet is voorzien in 2021. Met de Omgevingswet wordt beoogd een integraal afwegingskader voor de fysieke leefomgeving en gezondheid neer te zetten. Eenvoudige, duidelijke en inzichtelijke regels, procedures en informatie voor zowel inwoners als bedrijven. De Omgevingswet beoogt een verandering in de manier van denken en werken. Vertrouwen is daarbij het credo, met als uitgangspunt een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Het lokale bestuur krijgt op een aantal (milieu)onderdelen een grotere afwegingsruimte, waarbij zij strenger of losser met de indeling van de milieunormen kan omgaan, bijvoorbeeld ten aanzien van geluid. Dit kan leiden tot verschillen tussen gemeenten, die overigens wel verplicht zijn hun eigen visie en plan af te stemmen met de buurgemeenten. Het streven bestaat in de advisering omtrent deze regels richting gemeenten tot een zo uniform mogelijke aanpak en wijze van regulering te komen. Dit bevordert het level playing field, houdt toezicht en handhaving eenduidig en voorkomt ‘shoppen’ door bedrijven. Voor de overgangsfase van de huidige regelgeving naar de omgevingsplannen met daarin het lokaal regelgevend kader, wordt gewerkt met de zogenoemde bruidsschat. Hierin is een groot deel van het huidig regelgevend kader opgenomen, om te voorkomen dat een vacuüm ontstaat in de periode tot de inwerkingtreding van de lokale omgevingsplannen. De wijze waarop het omgevingsplan en de omgevingswaarden daarin worden geformuleerd bepalen in belangrijke mate de rol en werklast voor toezicht en handhaving achteraf. Het aantal meldingen zal onder de Omgevingswet verder toenemen en daarmee ook de behoefte aan toezicht, gegeven het verleggen van het toetsingsmoment aan de voorzijde naar de achterkant van de start van een activiteit. Participatie en afstemming aan de voorkant zijn kernelementen in het werken onder de Omgevingswet. Alleen op die wijze kan de beoogde verkorting van procedures (uitgangspunt 8 weken) realiteit worden. Dit vereist van vergunningverleners en adviseurs een andere rol en het denken in scenario’s. 3.5.8 Omgevingswet en data VTH biedt een schat aan informatie die, zeker na verrijking met andere (openbare) gegevens, bruikbaar is bij de vorming van omgevingsvisies en –plannen onder de Omgevingswet en kan ook gericht worden ingezet om de daarin gestelde doelen met betrekking tot de leefomgeving te bereiken. Bodeminformatie, energie, hindercirkels, vervoers- en grondstoffenstromen zijn enkele van de datasets die vergaard en gebruikt kunnen worden. Daarnaast laat de Omgevingswet op een aantal vlakken straks de gemeente ‘vrij’ in het stellen van strengere of lossere normen op bijvoorbeeld het aspect geluid. Het is dan aan de gemeente om hierover in het omgevingsplan een kader op te nemen. Input vanuit VTH is daarbij onontbeerlijk. Uitwisseling en datadeling moet op uitvoeringsniveau de primaire processen van de partners ondersteunen. Wij ontwikkelen datasets die onze basisprocessen ondersteunen. Denk daarbij aan de recent in samenspraak met Velsen ontwikkelde bodem-/ondergrondkaart waarop inzichtelijke wordt gemaakt welke activiteiten er in de bodem plaatsvinden, zodat ook hierop beleid geformuleerd kan worden. Bij de ontwikkeling op het gebied van dataverzameling, -verrijking en –gebruik wordt de samenwerking en afstemming gezocht met onder meer andere omgevingsdiensten, gemeenten en provincie, zodat de meerwaarde daarvan zo groot mogelijk is. Informatisering en automatisering vinden plaats op een no-nonsens wijze, vormgegeven met respect voor privacy en AVG. 3.5.9 Landelijke prioriteiten/thema's/NIA Meer en meer vindt tussen handhavingspartners over verschillende niveaus (strategisch, tactisch, operationeel) gericht overleg en samenwerking plaats in verschillende gremia. Daarbij wordt gericht vormgegeven aan landelijk en regionaal geprioriteerde thema’s en activiteiten. Landelijke en regionale dreigingsbeelden (milieu)criminaliteit vormen hiervoor input en worden geoperationaliseerd via het RIEC en selectie- en milieu-informatie-overleggen. Op landelijk niveau is Omgevingsdienst IJmond aangesloten bij OD.nl, waar alle OD's in Nederland over de uitvoering van hun taken spreken. In dit gremium wordt landelijk afstemming gezocht over de uitvoering van deze taken, best practices te delen en een gelijk speelveld te realiseren. Andere zaken op landelijk en regionaal niveau die van invloed zijn op de wijze waarop projecten worden ingericht, zijn het Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit (DMC) en de Focus50. Het DMC levert een beeld van de dreigingen op het gebied van georganiseerde criminaliteit in Nederland en vormt de basis voor het vaststellen van aandachtsgebieden voor de aanpak van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. De Focus50 is een belangrijke stap richting risicogericht samenwerken door 9 organisaties in het Noordzeekanaalgebied. Deze lijst brengt 50 items in kaart waarbij gezamenlijk is geconstateerd dat er één of meerdere risico’s aanleiding geven tot extra aandacht, én samenwerking mogelijkheden biedt wat betreft voorkomen of beperken van incidenten. Enkele thema’s die de komende jaren terugkomen zijn: Gesloten bodemenergiesystemen (aanleg/certificering/registratie); Getrouwheid bodemsaneringsevaluatierapporten; Oud-ijzerinzameling door niet-erkend inzamelaars (vermelding VIHB-lijsten); WEELABEX (elektronica) bij oud ijzer; Sloopschepen; Asbest. Gewerkt wordt aan de ontwikkeling van een integraal communicatieplatform (GIS-applicatie) voor zowel bestuurders als de operatiën (contactgegevens). Het doel hiervan is het zicht op risico’s in de regio op een eenduidige wijze inzichtelijk te maken en hierop gericht te kunnen acteren. 3.5.10 Handhavingsbeleid De Landelijke Handhavingsstrategie is het kader waarbinnen de handhaving door ODIJ plaatsvindt. Volgens de LHS bepaalt de combinatie van de ernst van de overtreding en de intentie van de overtreder het handhavingsinstrument dat gekozen wordt. Dat kan variëren van een waarschuwing tot stillegging of een strafrechtelijke maatregel. Het gedragsaspect van de bedrijven die onder toezicht staan wordt in steeds belangrijker mate een aspect dat meegenomen wordt bij toezicht en handhaving. De mate van ‘hufterigheid’, gedrag waarbij de grenzen van het betamelijke worden opgezocht, maar net niet overschreden, vormt één van de indicatoren in het geactualiseerde handhavingsbeleid en om onder meer ondermijnende activiteiten op te sporen en aan te pakken. Het vorige handhavingsbeleid kende relatief lage dwangsombedragen die zich niet meer verhielden tot de ernst van de overtreding en het financieel voordeel dat daarmee behaald wordt. In het nieuwe beleid is daarom gekozen voor een aanzienlijke verhoging van de bedragen, waarbij aansluiting is gezocht bij het handhavingsbeleid in den lande. Tegelijk wordt erkend dat handhaving niet altijd de aangewezen route is om naleving te bewerkstelligen. Een goed gesprek, mediation en in uitzonderlijke situaties bestuurlijke interventie kan in die gevallen beter werken en voor gekozen worden. 3.5.11 Rol medewerker omgevingsrecht De verschillende ontwikkelingen in het fysieke domein maken ook dat een andere invulling van de rol van vergunningverleners en inspecteurs wordt gevraagd. Naast een stuk verbreding in kennis op ‘nieuwe’ onderwerpen, zal ook verdieping nodig zijn op onder meer het thema verduurzaming en energietransitie en hoe dit geoperationaliseerd kan worden bij de uitvoering van VTH. Vergunningverlening zal steeds vaker aan de voorkant bij omgevingsplanvorming gevraagd worden input te leveren om een goed regelgevend kader neer te zetten, om op die manier te voorkomen dat in de toezichtsfase een onbedwingbare werklast ontstaat. Scenariodenken en een bredere belangenafweging kunnen maken zijn daarbij essentiële vaardigheden. Ook voor de toezichthouder, waarvan straks niet wordt gevraagd sec op regels te toetsen, maar die ook in staat moet zijn met losser geformuleerde regels en afwegingsruimte om te gaan.

Rechtspraak bij dit artikel