Naar hoofdinhoud
1.. Het college matigt de bestuurlijke boete tot de helft van het boetenormbedrag, indien de bestuurlijke boete wordt opgelegd aan een houder van: een kindercentrum met maximaal twee groepen, waarbij het kindercentrum nog niet eerder een regulier inspectie als bedoeld in artikel 1.62, tweede lid van de Wet kinderopvang heeft gehad; een gastouderbureau dat maximaal twintig kinderen bemiddelt en waarbij nog niet eerder een reguliere inspectie als bedoeld in artikel 1.62, tweede lid van de Wet kinderopvang heeft plaatsgevonden. 2.. Indien sprake is van samenloop of met één feitelijke gedraging twee of meer kwaliteitseisen worden overtreden, legt het college voor de overtreding van elke afzonderlijke kwaliteitseis een bestuurlijke boete op. De overtreding waarvoor het hoogste boetenormbedrag is vastgesteld wordt ten volle opgelegd, de andere overtreding(-en) wordt of worden gematigd tot de helft van het boetenormbedrag. 3.. Het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van: de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of; de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, boeteoplegging volgens deze beleidsregels handhaving Wet kinderopvang onevenredig is. Van een matiging als hier bedoeld kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van deze beleidsregels niet is voorzien. 4.. Het college verhoogt de bestuurlijke boete met de helft van het boetenormbedrag, indien sprake is van recidive of indien de overtreding met opzet is begaan, tenzij artikel 1.72, tweede lid Wet kinderopvang van toepassing is..

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel