Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5

Artikel 5.4

Bijdrageplicht Maatwerkvoorzieningen

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2019 gemeente Molenlanden

De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid onder b, van de wet, voor het gebruik van een maatwerkvoorziening zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt. De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening zoals bedoeld in artikel 5.4 eerste lid is inkomensafhankelijk. De hoogte van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt bepaald overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met dien verstande dat op grond van artikel 3.8 lid 2 onder b van het uitvoeringsbesluit: het percentage van 12,5%, zoals genoemd in lid 1 van artikel 3.8, wordt verlaagd naar 7,5% en; de inkomensbedragen, zoals genoemd in lid 1 van artikel 3.8, worden verhoogd met 20%. Het college stelt in de nadere regels de inkomensbedragen vast. De bijdrage is nooit hoger dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt berekend aan de hand van: een vast bedrag per periode van vier weken indien de maatwerkvoorziening als arrangement wordt geleverd; voor vervoersvoorzieningen de prijs die de gemeente betaalt voor de voorziening; voor overige gevallen de prijs per periode en op basis van de vergoeding die de gemeente voor de dienstverlening over die periode verschuldigd is. In afwijking van het eerste en tweede lid, wordt geen bijdrage gevraagd voor het collectief vraagafhankelijk vervoer, woonvoorzieningen, de verhuiskostenvergoeding en een sportvoorziening. De bijdrage inzake toekenning van een voorziening ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.5 van de wet verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Het college brengt de bijdrage voor de volgende periode in rekening: voor dienstverlening: zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden; voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar van toepassing tot maximaal de kostprijs van een eenmalig verstrekte voorziening; bij een periodieke verstrekking van een persoonsgebonden budget: over iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is verstrekt. Als een persoon over een periode voor meerdere voorzieningen een bijdrage is verschuldigd, dan komt de betaalde bijdrage allereerst ten goede van de voorziening die eenmalig is verstrekt en waarvoor het college geen huur verschuldigd is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel