Lid 1
De medewerker heeft voor het maken van een dienstreis vooraf toestemming nodig van het bevoegd gezag.
Lid 2
De plaats van tewerkstelling geldt als het begin- en eindpunt van de dienstreis, tenzij het bevoegd gezag toestemming geeft hiervan af te wijken. Het aantal kilometers wordt naar boven afgerond tot het naast hogere gehele getal.
Lid 3
De dienstreizen kunnen met openbaar vervoer of met een privé vervoermiddel worden gemaakt. Een dienstreis wordt via de kortste route gemaakt, tenzij er redenen zijn om daarvan af te wijken.
Lid 4
Reiskosten voor woon-werkverkeer en verkeersovertredingen worden niet aangemerkt als reiskosten dienstreis.
Lid 5
Afhankelijk van de fiscale bepalingen kunnen de vergoedingen deels onbelast of belast worden uitbetaald.
Toelichting artikel 2
De leidinggevende kan het begrip vooraf toestemming verlenen praktisch invullen door hier afspraken met de medewerker over te maken.
In de praktijk kan het gewenst om af te wijken van het uitgangspunt om de plaats van tewerkstelling te gebruiken als begin- en eindpunt en uit te gaan van de kortste route. De regeling voorziet in deze mogelijkheid.
Artikel 2