De Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2016 worden als volgt gewijzigd:
**1..** Paragraaf 1 komt te luiden: Sinds 2016 gelden in Eindhoven de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2016. Met het besluit daartoe stelde de burgemeester, onder intrekking van eerdere beleidsregels, algemene regels vast over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen. Deze beleidsregels zijn gewijzigd bij het Wijzigingsbesluit beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2017. Het was namelijk wenselijk die beleidsregels aan te passen aan twee rechterlijke uitspraken en om – aansluitend bij het sluiten van bepaalde gebouwen en erven op grond van de APV – nauwkeuriger en gelijker te bepalen wat de sluitingsduur is. Het Wijzigingsbesluit beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2019 is vastgesteld in verband met uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid bij de Wet van 12 december 2018 (Staatsblad 2018, 481). Ook wordt de gelegenheid gebruikt een actualisering door te voeren in verband met de voortdurende opschorting van de bestuursrechtelijke handhaving van het I-criterium.
**2..** In paragraaf 2 wordt aan de eerste alinea een volzin toegevoegd, luidende: Dit is per 1 januari 2019 uitgebreid voor bij ministeriële regeling met spoed aangewezen middelen en bij aanwezigheid van voorwerpen of stoffen die bestemd zijn voor onder meer productie van harddrugs of grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt.
**3..** In paragraaf 2 wordt de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet vervangen door: 1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3º, of artikel 11a voorhanden is.
**4..** In de opschriften van paragrafen 3.1, 3.3.II en 3.3.III en in paragrafen 3.3, 3.3.II, 3.3.III, 5, tweede volzin, en 7 wordt ‘drugshandel’ respectievelijk ‘harddrugshandel’ respectievelijk ‘softdrugshandel’ telkens vervangen door ‘drugshandel/-voorbereiding’ respectievelijk ‘harddrugshandel/-voorbereiding’ respectievelijk ‘softdrugshandel/-voorbereiding’.
**5..** In paragraaf 3.1 worden aan de eerste alinea drie volzinnen toegevoegd, luidende: Onder drugsvoorbereiding wordt hier verstaan: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3º, of artikel 11a Opiumwet. Waar het gaat om hard-/softdrugs of lijst I/II Opiumwet wordt daaronder mede verstaan: een middel dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aanwees op grond van artikel 3a, vijfde lid, Opiumwet. Al naar gelang de aanwijzing wordt het betreffende middel beschouwd als hard- (lijst I) dan wel softdrug (lijst II).
**6..** In paragraaf 3.1 worden aan de tweede alinea zeven volzinnen toegevoegd, luidende: Dit is per 1 januari 2019 uitgebreid. Deze beleidsregels zien ook op de uitbreiding met betrekking tot de met spoed aangewezen middelen en drugsvoorbereiding. Wat dit laatste betreft, valt (onder meer, maar niet uitsluitend) te denken aan growshopactiviteit. Maar ook aan een cocaïnewasserij, pand met (pre)precursoren/grondstoffen of versnijdingsmiddelen en een hennepkwekerij (zoals een pand waarin illegale stroomaansluitingen, plantenbakken, afzuiginstallatie of een ventilatiesysteem worden gevonden) of drugslaboratorium in aanbouw. Oftewel een pand dat een schakel vormt in de productie of distributie van drugs (Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 1-3). Een en ander voor zover het valt binnen het kader van artikel 10a, eerste lid, onder 3º, of artikel 11a Opiumwet. Omdat het erom gaat een woning, lokaal of erf dat zo’n schakel is, daaraan te onttrekken, zodat overtreding van de Opiumwet wordt beëindigd en herhaling wordt voorkomen, wordt als uitgangspunt met termijnen geen onderscheid gemaakt of er al dan niet drugs aanwezig waren.
**7..** In paragraaf 3.1 wordt aan de derde alinea een volzin toegevoegd, luidende: Dit geldt ook voor drugsvoorbereiding.
**8..** Paragraaf 3.1, vierde alinea, komt te luiden: Bij de beoordeling of bestuursdwang wordt toegepast in het kader van artikel 13b, eerste lid, onderdeel a, Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn van het verkopen, verstrekken, afleveren dan wel daartoe aanwezig zijn van drugs. Wat betreft artikel 13b, eerste lid, onderdeel b, Opiumwet moet in ieder geval sprake zijn van het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3º, of artikel 11a Opiumwet. Te weten: voorwerpen of stoffen waarvan degene die ze voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat zij zijn bestemd voor harddrugsimport of -export of teelt, bereiding, bewerking, verwerking, verkoop, aflevering, verstrekking, vervoer of vervaardiging van harddrugs (artikel 10a, eerste lid, onder 3º Opiumwet). Dan wel dat zij zijn bestemd voor beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige teelt, bereiding, bewerking, verwerking, verkoop, aflevering, verstrekking of vervoer van softdrugs (artikel 11a Opiumwet). De uitgebreide bevoegdheid geldt niet voor in een pand aangetroffen vervoermiddelen, gelden of andere betaalmiddelen als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a. Zij geldt evenmin als in een pand een (geheime) ruimte wordt aangetroffen als bedoeld in artikel 11a. Wel kunnen in een pand aangetroffen vervoer- of betaalmiddelen of (geheime) ruimten bijdragen aan het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. De situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dat vergt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals de feiten die de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd maakten om het pand te betreden, de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en hoeveelheid van een stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere feitelijkheden zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Op de burgemeester berust niet de bewijslast van een strafbaar feit, maar wel de verplichting om te (kunnen) onderbouwen dat voldoende aannemelijk is dat sprake is van een verboden voorbereidingshandeling. Verwijtbaarheid van de verhuurder van het pand is niet vereist. Het gaat erom of de in het pand aangetroffen stoffen of voorwerpen, eventueel in combinatie met andere feitelijkheden, de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een verboden voorbereidingshandeling. De koppeling met een strafbaar feit veronderstelt weliswaar verwijtbaarheid van de overtreder, maar niet dat de verhuurder de overtreder is. Sluiting is een herstelsanctie en beoogt noch de overtreder, noch de verhuurder leed toe te voegen (vgl. Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 4 en 6; Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 5-6). Wat betreft drugsvoorbereiding in de zin van artikel 11a Opiumwet (softdrugs) wordt voor beroeps- of bedrijfsmatigheid aansluiting gezocht bij de factoren die een rol spelen in de Aanwijzing Opiumwet, te weten (artikel 3.2.1 en bijlage I Aanwijzing Opiumwet): de schaalgrootte van de teelt, de mate van professionaliteit (waartoe met niet-limitatieve indicatoren wordt gewerkt) en het doel van de teelt (vgl. Kamerstukken II 2017/18, 34 763, nr. 6, p. 10; Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4720, 4760 en 4762). Voor grootschaligheid geldt in verband met het ontstaan van deze wettelijke sluitingsbevoegdheid artikel 1, tweede lid, Opiumwetbesluit.
**9..** In paragraaf 3.3.I vervallen in de tabel met handhavingsstappen de dubbele punt en de tekst achter ‘H-criterium’.
**10..** Aan paragraaf 3.3.I wordt toegevoegd: Inherent aan een coffeeshop is dat daar voorwerpen voorhanden zijn (denk bijvoorbeeld aan weegschalen, zakjes of kassa’s), die zijn bestemd voor beroeps- of bedrijfsmatige verwerking, verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs, voor zover die daar wordt gedoogd. Het is niet de bedoeling dat een coffeeshop in dat geval toch wordt gesloten. In zoverre gebruikt de burgemeester de per 1 januari 2019 uitgebreide bevoegdheid dus niet.
**11..** In paragrafen 3.3.II, 3.3.III en 5 wordt ‘gaat of kennelijk ging’ respectievelijk ‘drugshandel met’ telkens vervangen door: ‘gaat of kennelijk zou gaan/ging’ respectievelijk ‘drugshandel met/kennelijke drugsvoorbereiding voor’.
**12..** In paragrafen 3.3.II en 3.3.III wordt ‘growshopactiviteit’ telkens vervangen door: ‘growshopactiviteit naast drugshandel’.
Artikel I
Wijzigingen uitbreiding sluitingsbevoegdheid
Onderdeel van Wijzigingsbesluit beleidsregels artikel 13b Opiumwet Eindhoven 2019