Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 4.3

Exploitatie van een horecabedrijf

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Amstelveen.

1.. Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren. 2.. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. 3.. Bij de toepassing van de in het vorige lid vermelde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk waarin het bedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf, alsmede met de wijze van bedrijfsvoering van de houder of beheerder of met diens levensgedrag. 4.. De vergunning wordt niet verleend als de vestiging in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Voorts wordt de vergunning niet verleend als de beheerder van een alcoholvrij bedrijf de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt. 5.. Voor terrassen van alcoholverstrekkende en alcoholvrije inrichtingen wordt vergunning verleend tot uiterlijk 24.00 uur. 6.. Het college kan in het belang van de openbare orde, het woon- en leefklimaat, de veiligheid, de zedelijkheid en de gezondheid nadere regels stellen betreffende de exploitatie van horecabedrijven, voorzover geen bepalingen van de Drank- en Horecawet of van de Woningwet of de daarop gebaseerde besluiten van toepassing zijn. 7.. De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: a.. als de houder of beheerder het in of bij dit hoofdstuk bepaalde overtreedt; b.. als aannemelijk is dat de houder of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in art. 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in art. 2.2, eerste lid, van deze verordening, of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, dan wel indien naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen; c.. als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. 8.. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten horecabedrijven. 9.. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is op deze bepaling niet van toepassing

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel