**1..** Als het college een beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget met toepassing van artikel 2.3.10, onderdeel a van de wet, heeft ingetrokken en de verstrekking van de on-juiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cli-ent en van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de gelds-waarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten per-soonsgebonden budget.
**2..** Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college er ook voor kiezen om de voorziening terug te vorderen.
**3..** Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan het college er ook voor kie-zen om de voorziening terug te vorderen.
**4..** Het college kan vorderingen, ontstaan op grond van dit artikel, verrekenen met nog uit te keren (periodieke) betaling(en) op grond van de Wmo. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dient het college een belan-genafweging te maken.
De wet opent de mogelijkheid voor terugvordering van de geldswaarde van een voorziening. In de dagelijkse praktijk is het voor het college van belang om de keuze te hebben tussen terugvordering van de geldswaarde of van de voorziening zelf. Die keuze is in dit artikel geopend. Daarbij is het eer-ste lid een herhaling van artikel 2.4.1, eerste lid van de wet, maar opgenomen uit volledigheid.
Een beslissing wordt in het algemeen herzien of ingetrokken als de grondslag voor de verstrekking van een voorziening komt te vervallen.
Een voorziening wordt ook ingetrokken als er sprake is van het niet of niet tijdig informeren of het geven van een onjuiste voorstelling van zaken, waardoor de voorziening anders niet zou zijn verstrekt.
In het algemeen zal er, als een voorziening wordt ingetrokken of herzien, een vordering ontstaan. De terugvordering bestaat of uit de geldswaarde van de ten onrechte of te veel genoten op het individu toegesneden voorziening of persoonsgebonden budget of het innemen van de in eigendom of in bruikleen verstrekt voorziening.
Volgens artikel 2.4.1 van de wet zijn de gevallen waarin kan worden teruggevorderd erg beperkt. Op grond daarvan zou terugvordering niet mogelijk zijn als sprake is van het niet kunnen verantwoorden van een PGB voor huishoudelijke ondersteuning of bij overlijden van een cliënt aan wie een scootmo-biel is toegekend. Uit de parlementaire stukken blijkt echter niet dat dit een bewuste keuze is geweest. Wel geeft de regering aan dat misbruik en oneigenlijk gebruik moet worden bestreden. Ook uit de rechtspraak onder de Wmo 2007 blijkt dat, indien terugvordering in het gemeentelijk beleid goed ge-regeld was, de gemeente op grond hiervan wel alsnog kon terugvorderen.
Daarom wordt in deze beleidsregels bepaald dat terugvordering ook mogelijk is als verantwoor-ding van een PGB onvoldoende is, dan wel indien van een verstrekte voorziening geen gebruik meer wordt gemaakt.
Het besluit tot herziening of intrekking en daaraan gekoppeld terugvordering levert een executoriale titel op. Het terug te vorderen bedrag kan dan ook bij dwangbevel worden ingevorderd.
Geldswaarde voorziening
Als door eigen toedoen schade is ontstaan aan een in bruikleen verstrekt voorziening, zullen de kos-ten van reparatie van de schade worden teruggevorderd. Als de voorziening door eigen toedoen ge-heel verloren is gegaan of als reparatie van de schade niet meer lonend is, wordt het terug te vorderen bedrag als volgt vastgesteld:
(y jaar- x jaar) : y jaar * nieuwwaarden van de voorziening die verloren is gegaan
De restwaarde is 10% van de nieuwwaarde.
Waarbij y jaar gelijk is aan de afschrijvingstermijn die gehanteerd wordt bij het volledig verlo-ren gaan van de voorziening en x gelijk is aan het aantal volle jaren dat verstreken is vanaf de aanschaf van de voorziening.
Voor het bepalen van het terug te vorderen bedrag, indien sprake is van schade, vindt er een evenre-dige toerekening plaats naar het aantal jaren dat de voorziening oud is.
Regresrecht:
Ingevolge de Wmo is het mogelijk om de kosten van Wmo-voorzieningen te verhalen op een derde bij wettelijke aansprakelijkheid voor een ongeval dat tot de beperkingen heeft geleid (regresrecht, artikel 2.4.3). Meestal komt dan de aansprakelijkheidsverzekeraar in beeld. Gemeenten kunnen de kosten die zij maken voor Wmo-voorzieningen voor ongevallen na 1 januari 2019 zelf verhalen op aansprakelijk-heidsverzekeraars.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 15.