Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden

Onderdeel van Regeling briefadres gemeente Maastricht 2019

De aangifte wordt gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt op grond van de artikelen 2.38 tot en met 2.40 en 2.43 Wet BRP. De aangever is verplicht om bij de aangifte tot briefadres alle benodigde stukken te overleggen zoals bedoeld in artikel 2.45 Wet BRP. Onder benodigde stukken als bedoeld in het tweede lid wordt in ieder geval verstaan: een geldig identiteitsbewijs van de aangever; de schriftelijke verklaring van de aangever met reden voor de aangifte en de te verwachten periode dat het briefadres noodzakelijk is; een geldig identiteitsbewijs of een kopie ervan en een schriftelijke verklaring van instemming van de briefadresgever; een ingevulde en ondertekende vragenlijst briefadres, als het briefadres gevraagd wordt op grond van artikel 2, lid 1 en de aangever aanspraak maakt op een uitkering ingevolge de Participatie¬wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werkne¬mers of de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeids¬ongeschikte gewezen zelfstandigen en /of begeleiding vraagt in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Begeleiding Individueel). De briefadresgever, die als ingezetene in de BRP ingeschreven staat, kan maximaal aan twee gezins-huishoudens of twee alleenstaanden of aan een alleenstaande en een gezinshuishouden toestemming geven een briefadres te houden. Lid 4 van dit artikel is niet van toepassing indien de briefadresgever het college van burgemeester en wethouders betreft of een door dit college aangewezen rechtspersoon, bedoeld in artikel 2.42 onder b van de Wet BRP.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel