Naar hoofdinhoud

Artikel 3.11

Wanneer wordt toepassing gegeven aan de inkomstenvrijlating

Onderdeel van Beleidsregels Werk & Inkomen 2019

In beginsel komt elke vorm van betaald werk in aanmerking voor de inkomstenvrijlating van artikel 31 Participatiewet (lid 2 onder o en r). Verzwegen inkomsten kunnen (als zij achteraf geconstateerd worden) niet in aanmerking komen voor de vrijlating, daar het achteraf vrijlaten niet meer bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De vrijlating bedraagt 25% van de inkomsten met een maximum per maand, gedurende maximaal 6 maanden (artikel 31 lid 2 onderdeel n Participatiewet). Voor alleenstaande ouder geldt nog een vrijlating van 12,5% van de inkomsten wanneer zij de vrijlating van 25% gedurende een half jaar al hebben gehad (artikel 31 lid 2 onderdeel r). Deze vrijlating geldt gedurende maximaal 30 maanden. De vrijlating kan worden toegekend met ingang van de eerste dag met inkomsten (of bij aanvang van de uitkering). De cliënt dient er op gewezen te worden dat de vrijlating slechts éénmalig gedurende zes maanden kan worden verstrekt. Deze zes maanden hoeven niet aaneengesloten te zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel