Uitgangspunt is dat het vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. In één situatie kan van deze hoofdregel worden afgeweken, te weten:
Wanneer de aanvrager verwikkeld is in een echtscheidingsprocedure of indien er sprake is van een verlating en een vermogen heeft dat minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, of;
Wanneer er een aanvraag schulddienstverlening of bewindvoering loopt. De aanvrager heeft op dat moment vaak nog geen totaaloverzicht van zijn schulden. De informatie komt uiteindelijk vaak via schulddienstverlening of de bewindvoerder. De aanvrager blijft wel zelf verantwoordelijk voor het aanleveren van informatie.
In deze gevallen kan gewacht worden met de vermogensvaststelling totdat de boedelscheiding een feit is. In de toekenningsbeschikking moet dan de mededeling worden opgenomen dat het vermogen nog wordt vastgesteld en dat bij overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens de teveel betaalde bijstand zal worden teruggevorderd.
Artikel 3.3
Moment vermogensvaststelling bij echtscheiding/verlating
Onderdeel van Beleidsregels Werk & Inkomen 2019