Naar hoofdinhoud
De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen en medegebruik van voorzieningen moet gebeuren conform de in de gemeente van toepassing zijnde uitvoeringsvoorschriften, namelijk de “Standaardbepalingen voor het opnemen van de sleufverharding, het graven, aanvullen en verdichten van sleuven en het leggen etc. van ondergrondse infrastructuren in gronden die in eigendom of beheer zijn bij de deelnemende gemeenten.” Sectie 2.01Conformeren aan de voorwaarden Bij het niet voldoen aan één of meer van de vermelde voorschriften kunnen door de gemeente de werkzaamheden van de desbetreffende instemmingshouder worden stilgelegd en eventueel ontstane kosten zullen in rekening worden gebracht bij de instemmingshouder. Sectie 2.02Gebruik uitvoeringsvoorschriften De uitvoeringsvoorschriften zijn uitgebreid, maar niet uitputtend. Het kan gebeuren dat de uitvoeringsvoorschriften geen aanwijzing geven in voorkomende gevallen. Als dat zo is, dan bepaalt de gemeente welke werkwijze en afspraak gevolgd moet worden. Sectie 2.03Tracé via instemming De kabels en/of leidingen moeten zoveel mogelijk buiten de rijwegverhardingen in de trottoirs of de wegbermen worden gelegd. De kabels en/of leidingen moeten worden gelegd op de plaatsen en met de gronddekking zoals aangegeven op de bij het Handboek ondergrondse infrastructuren: nadere regels en uitvoeringsvoorschriften UNOG – gemeente Doetinchem 2019 behorende dwarsprofielen (zie ook “sectie 3.03 Standaardprofielen”). Op een diepte van 75 tot 95 cm beneden de uiteindelijke weg- of terreinhoogte mogen in verband met rioolaansluitingen geen kabels en/of leidingen worden gelegd. Kruisingen van kabels en/of leidingen met wegverhardingen moeten haaks worden uitgevoerd. Bij kabels en/of leidingen met een diameter van 250 mm of meer kan hier in goed overleg op een nader te bepalen wijze van worden afgeweken. Kruisingen met wegen moeten sleufloos uitgevoerd worden. Alleen in overleg met en na toestemming van de toezichthouder van de gemeente kan hiervan worden afgeweken. De kruising van een leiding met een gemeentelijke watergang vindt plaats door middel van een boogzinker of door middel van een gestuurde boring. De exacte plaats van de kabels/leidingen en alle bijbehorende voorzieningen wordt in overleg met de toezichthouder of coördinator van de gemeente bepaald. Diepteligging volgens een door de gemeente vastgesteld profiel, van dit profiel kan worden afgeweken indien de gemeente dit noodzakelijk acht. Bij kruisingen met bermsloten moet een minimale dekking van 0,60 m¹ onder het oorspronkelijke bodemprofiel worden aangehouden. Sectie 2.04Sleuf en zandlichaam Bij de uitvoering van werkzaamheden mag niet meer uitkomend sleufmateriaal worden verplaatst dan voor de uitvoering van de werkzaamheden strikt noodzakelijk is. Het uitkomend sleufmateriaal moet gescheiden worden ontgraven en in omgekeerde volgorde van ontgraven worden aangebracht. De sleuven mogen niet breder worden gegraven dan voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijk is. De sleuven moeten na de voltooiing van de werkzaamheden worden aangevuld met uitkomend sleufmateriaal / vrijkomende grond uit de sleuf. Als het nodig is om voor het aanvullen van de sleuf zand te leveren en aan te brengen, zal de instemmingshouder zorgen voor het aanvoeren hiervan. Als het hier gaat om slechte grond waarop geen verharding kan worden aangebracht, moet deze worden afgevoerd en vervangen door zuiver zand. Dit moet door de instemmingshouder worden aangeleverd. Als het uitkomend sleufmateriaal niet voldoende verdichtbaar is, moet deze vervangen worden door zand. De kosten van het leveren, transporteren en aanbrengen van het zand komen voor rekening van de instemmingshouder. Daar waar op verzoek van de gemeente grondverbetering plaats moet vinden zal het materiaal (funderingsmateriaal en/of zand) kosteloos door de wegbeheerder beschikbaar worden gesteld. De instemmingshouder en/of netbeheerder verzorgt de afvoer van overtollig materiaal. Het aanvullen van sleuven moet in lagen van maximaal 20 cm gebeuren, terwijl iedere laag mechanisch moet worden verdicht. De visuele en fysieke controle via elektronische conuswaarderegistratie op het aanvullen en verdichten van de sleuven vindt plaats door of namens de instemmingshouder. De instemmingshouder levert het werk inclusief deze registratie op aan de gemeente. Als de aanvulling of verdichting niet aan de door de gemeente gehanteerde normen voldoet, wordt de instemmingshouder in de gelegenheid gesteld dit binnen twee weken te herstellen. Na deze periode vindt opnieuw een controle door de gemeente plaats waarbij instemmingshouder verplicht kan worden om ter plaatse, op aanwijzing van de toezichthouder van de gemeente, een aantal fysieke (elektronische conuswaarderegistratie) verdichtingsmetingen uit te voeren. De verdichting van de aanvulling bij ‘graven en aanvullen sleuf’ wordt bepaald met behulp van de indringingsweerstand overeenkomstig het bepaalde in artikel 24.05.01 en 24.05.04 uit de Standaard RAW bepalingen. Als aan de voorwaarden onder 14 tot en met 17 niet wordt voldaan, zullen door of in opdracht van de gemeente alsnog de sleuven mechanisch verdicht worden. De kosten worden afzonderlijk bij de betreffende instemmingshouder en/of netbeheerder in rekening gebracht, met inbegrip van de daarvoor benodigde materialen, waaronder zand en herstratingsmaterialen. Voor het herstel van elementverharding moet altijd een straatlaag van 5 cm aanwezig zijn. A.Sleufbreedte De sleufbreedte bepaalt het oppervlak voor de berekening van het straatwerktarief.In principe meet de toezichthouder namens de gemeente de sleufbreedte tijdens het werk op. Dit voorkomt dat standaard de minimale sleufbreedte van 30 cm bij tegels of klinkers wordt gerekend. Bij discussie achteraf hierover is het standpunt van de gemeente doorslaggevend.Voor vergoeding: zie artikel 10 “UNOG-tarieven”. Daarvoor geldt altijd een minimumbreedte. B.Sleufdiepte De sleufdiepte wordt bepaald volgens de standaardprofielen. Sectie 2.05Kunstwerken e.d. Als kunstwerken, watergangen, riolen en andere aanwezige werken worden ontmoet, worden door en voor rekening van de betreffende netbeheerder na voorafgaand overleg met de gemeente de nodige voorzieningen getroffen. Sectie 2.06Gesloten verharding Onder gesloten verhardingen en hydraulisch gebonden funderingen mogen geen kabels en leidingen in de lengterichting worden gelegd, tenzij dit vooraf tussen netbeheerder en gemeente schriftelijk wordt overeengekomen in het instemmingsbesluit. Asfaltwegdekken mogen niet worden opgebroken. Wegkruisingen van kabels/leidingen met gesloten wegdekken (geheel of gedeeltelijk) van asfalt of beton en/of gesloten fundatie, moeten worden uitgevoerd via wegboringen en (stalen) mantelbuizen (zie ook sectie 2.07 “Boringen / persingen”). Als het niet mogelijk is dat het wegdek niet wordt opengebroken (punt 24 kan niet worden opgevolgd), kan na overleg met en na toestemming van de toezichthouder van de gemeente asfalt verwijderd worden.De herstelwerkzaamheden van de doorbroken asfaltverharding moeten als volgt worden uitgevoerd: De grootte van uitgezaagde vak moet een veelvoud zijn van een betonstraatsteen keiformaat. Het asfalt wordt rechthoekig uitgezaagd. In het doorbroken gedeelte wordt een funderingslaag met een minimale dikte van 60 cm aangebracht. Dit aanvullen moet gebeuren overeenkomstig de werkwijze genoemd onder 14 met funderingsmaterialen en zuiver zand door en voor rekening van de instemmingshouder. De materialen moeten worden afgestemd in overleg met de wegbeheerder. Vervolgens moet het doorbroken gedeelte worden dichtgestraat in halfsteens verband met klinkers of betonstraatstenen door of in opdracht van de betreffende instemmingshouder. Levering van materialen door instemmingshouder voor diens rekening. De bovenzijde van de stenen moet, bij de zaagsnede, gelijk liggen met het ingezaagde asfalt en tonrond worden aangebracht. Overmatig nazakken van klinkers in de gezaagde sleuf moet worden hersteld door de instemmingshouder. De beoordeling van overmatig nazakken is alleen volgens de opinie van de wegbeheerder. Het herstel moet plaatsvinden volgens eerdergenoemde werkwijze 24 en 26. Het definitieve herstel (volgens het begrip definitief herstel) wordt altijd op kosten van de instemmingshouder uitgevoerd door de gemeente. De vergoeding is geregeld in artikel 10 “UNOG-tarieven”. Sectie 2.07Boringen / persingen (Gestuurde) boringen mogen uitsluitend worden toegepast na toestemming van de toezichthouder van de gemeente. Alle mantelbuizen moeten reiken tot ten minste 50 cm buiten de (gesloten) wegverharding of funderingsconstructie. Bij het doorboren mag niet meer grond worden weggenomen dan door de buis wordt ingenomen. Als door bijzondere omstandigheden het doorboren van een mantelbuis niet mogelijk is, kan de gemeente toestaan, dat de kruising tot stand wordt gebracht door middel van doorgraving. De gronddekking van kabels, buizen en mantelbuizen moet bij wegkruisingen minimaal 80 cm bedragen. Sectie 2.08Grondwerk Grondsoorten moeten gescheiden worden ontgraven en op de oorspronkelijke diepte worden teruggebracht. De grond waarmee de gemaakte sleuven en gaten worden aangevuld moet in lagen worden aangevuld conform punt 14. Als de uitkomende grond niet voldoende verdichtbaar is, moet deze vervangen worden door zand. Eventuele kosten zijn voor de instemmingshouder. Overblijvende puin, grond, zand en ander vrijkomend materiaal moeten door en voor rekening van instemmingshouder en/of netbeheerder worden afgevoerd. Vervoerskosten en stortkosten zijn voor rekening van de desbetreffende instemmingshouder en/of netbeheerder.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel