Participatie is een van de gebieden waarop de gemeente maatschappelijke ondersteuning moet bieden (artikel 1.1.1 Wmo 2015 en artikel 2.1.1 Wmo 2015). Onder participatie verstaan we de deelname aan het maatschappelijk verkeer (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate:
mensen kan ontmoeten;
contacten kan onderhouden;
boodschappen kan doen;
aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen;
zich kan verplaatsen.
Sportbeoefening is een maatschappelijke activiteit en valt daarmee onder het begrip participatie.
Wanneer het beoefenen van sport leidt tot maatschappelijke participatie, kan een portvoorziening verstrekt worden. Uitgangspunt hierbij is dat men in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening.
Algemeen gebruikelijk zijn de kosten van reguliere sportbeoefening:
lidmaatschap van een sportvereniging of toegangskaart voor bijvoorbeeld een zwembad;
reiskosten naar de sportvereniging en wedstrijden;
sportkleding.
Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend en in verenigingsverband. Voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties, is geen sportvoorziening mogelijk.
De Wmo 2015 bevat geen definitie of omschrijving van een sportvoorziening. Het is aan de gemeente om daaraan zelf invulling te geven in het gemeentelijke beleid. Een sportvoorziening kan allerlei soorten voorzieningen zijn en betreft dus niet enkel een sportrolstoel. Dit was onder de Wmo 2007 overigens ook al het geval (CRvB 08-05-2013, nr. 11/869 WMO-T).
Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een cliënt in staat wordt gesteld om:
te participeren;
medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan;
te ontspannen.
Beoordeling aanvraag
Voor het toekennen van een tegemoetkoming voor een sportvoorziening (of begeleiding bij de sport) gelden de algemene voorwaarden die ook gelden voor andere voorzieningen (beperkingen ondervinden, niet algemeen gebruikelijk, niet op eigen kracht kunnen oplossen e.d.). Bij de beoordeling van de aanvraag om deze tegemoetkoming wordt in beeld gebracht op welke wijze de inwoner participeert (welke activiteiten heeft hij, hoe ziet het sociale leven er uit, welke andere manieren heeft de inwoner om mee te kunnen doen aan de samenleving, beoefende inwoner voor het ontstaan van een beperking al een sport, e.d.).
Niet aan alle wensen tegemoetkomen
Indien de inwoner al op andere wijze(n) in aanvaardbare mate in staat is tot het ontmoeten van mensen, contacten te onderhouden en aan maatschappelijke activiteiten deel te nemen, dan hoeft er geen sportvoorziening te worden verstrekt. In het kader van de Wmo 2007 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat het college een inwoner in staat moet stellen tot "aanvaardbare maatschappelijke participatie" (CRvB 15-02-2012, nrs. 09/4472 WMO e.a.). Deze uitspraak betreft de weigering van een vervoerskostenvoorziening, maar het gaat om strekking: de CRvB overweegt dat niet is gebleken dat de weigering van een vervoerskostenvoorziening er toe leidt dat van een aanvaardbare maatschappelijke participatie in het geval van inwoner geen sprake is.
Een ander voorbeeld is de uitspraak van de CRvB 14-3-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8848.
Wijze van verstrekking
De financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel / sportvoorziening wordt maximaal eens in de 3 jaar verstrekt voor de aanschaf, het onderhoud en reparaties van de voorziening.
Met het bedrag kan inwoner voorzien in de meerkosten van de sportbeoefening die hij heeft ten opzichte van een persoon zonder beperkingen. Bijvoorbeeld doordat hij een sportrolstoel, een sporttandem, een eigen aangepast paardrijzadel of een prothese voor atletiek nodig heeft.
Hoogte van de financiële tegemoetkoming
De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel of een vergelijkbare sportvoorziening bedraagt maximaal 2.900 euro voor de periode van 3 jaar. In dit budget is tevens het onderhoud en eventuele verzekering inbegrepen.
De term maximaal geeft al aan dat niet voor elke sportvoorziening het maximale bedrag beschikbaar wordt gesteld. Bij de beoordeling van de aanvraag dient te worden beoordeeld of er sprake is van meerkosten van de sportbeoefening die aanvrager heeft ten opzichte van een persoon zonder beperkingen.
Dit kan blijken uit een door inwoner ingediende offerte of pro-forma nota.
Hoofdstuk 22.
Artikel 22.6
Financiële tegemoetkoming voor een sportrolstoel en overige sportvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2019