Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Aflossing

Onderdeel van Beleidsregels krediethypotheek en pandrecht 2019

1.. De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats. 2.. Aflossing van de geldlening vindt rentevrij plaats gedurende ten hoogste tien jaar. 3.. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van twee jaar vastgesteld. 4.. De aflossingsverplichting wordt als regel bepaald op 50% van het meerdere inkomen boven het voor belanghebbende geldende bestaansminimum inclusief de woonkostentoeslag (de landelijke geregelde uitkeringsnorm op grond van de Participatiewet die zou gelden als belanghebbende nog steeds een uitkering zou ontvangen). 5.. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast. 6.. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen. 7.. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar.

Rechtspraak bij dit artikel