1. De rekenkamer kan, niet eerder dan na raadpleging en instemming van de begeleidingscommissie, besluiten tot afwijking van het bepaalde in deze verordening met als doel te experimenteren met een andere wijze van werken voor een periode gekoppeld aan de onderzoeksperiode van het betreffende onderzoek waarbij de rekenkamer wil experimenteren;
2. Indien de rekenkamer een beroep doet op dit experimenteerartikel, wordt door de rekenkamer beargumenteerd vastgelegd wat inhoud en doelstelling van het experiment is;
3. De rekenkamer evalueert direct na het experiment de ervaringen van betrokkenen en bespreekt deze met de begeleidingscommissie.