Naar hoofdinhoud
1. Het bestuur van de regionale gezondheidsdienst voert de Wet publieke gezondheid uit voor de gemeenten, met uitzondering van de taken bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid. 2. Het bestuur van de regionale gezondheidsdienst voert de taken bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Wet publieke gezondheid uit voor de MN-gemeenten. 3. De directeur publieke gezondheid voert de aan hem bij of krachtens de wet opgedragen taken uit onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur van de regionale gezondheidsdienst, onverminderd het bepaalde in artikel 10:22 en artikel 10:23 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat de uitvoering van de taken van de directeur publieke gezondheid in het kader van artikel 1.61 en artikel 2.19 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in mandaat wordt opgedragen aan: a. de gemeente Utrecht, voor zover het toezicht voor de gemeente Utrecht betreft, en b. de bestuurscommissie, voor zover het toezicht in de MN-gemeenten betreft. 4. De colleges kunnen ook andere taken opdragen aan het bestuur of ambtenaren van de regionale gezondheidsdienst, voor zover het algemeen bestuur daarmee met gekwalificeerde meerderheid, bedoeld in artikel 17, tweede lid, instemt. 5. Voor taken, bedoeld in een van de vorige leden, kan een overeenkomst worden afgesloten tussen de regionale gezondheidsdienst en de gemeente. In de overeenkomst wordt in elk geregeld: a. de kwalitatieve en kwantitatieve uitvoering van de opgedragen taken; b. de verrekening van de kosten; c. de aansprakelijkheid en verrekening bij onvoorziene omstandigheden, en d. de wijze van beëindiging van de overeenkomst, onverminderd het bepaalde in artikel 50.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel