Burgers kunnen in een vergadering het woord voeren over onderwerpen die geagendeerd en niet geagendeerd zijn.
Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste 15 minuten voor aanvang van de vergadering aan de commissiegriffier onder vermelding van zijn naam en het onderwerp waarover hij het woord wenst te voeren.
De commissievoorzitter geeft na de opening van de vergadering en de vaststelling van de agenda het woord aan degenen die het woord willen voeren over een onderwerp dat niet voorkomt op de agenda. De commissievoorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding.
Elke inspreker als bedoeld in het derde lid krijgt maximaal vijf minuten het woord. De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.
De commissievoorzitter geeft bij de behandeling van het in het tweede lid bedoelde onderwerp, dat voorkomt op de agenda, in eerste en tweede termijn eerst het woord aan degenen die zich als inspreker hebben aangemeld. De commissievoorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding.
Elke inspreker krijgt in eerste en tweede termijn maximaal vijf minuten het woord. De commissievoorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.
De inspreker voert het woord, nadat de commissievoorzitter hem dit heeft verleend. De commissievoorzitter kan de deelnemers aan de vergadering toestaan aan een inspreker een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers aan de vergadering.
De commissievoorzitter of een commissielid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker.
Hoofdstuk 2
Artikel 13
Spreekrecht burgers
Onderdeel van Verordening op de raadscommissies Haaksbergen (8.19a)