**1..** De leden van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 6 van deze regeling , worden benoemd voor de duur van de zittingsperiode van de colleges waartoe zij behoren.
**2..** Onverminderd het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, treden de leden van het algemeen bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders afloopt.
**3..** De in artikel 6 lid 4 van deze regeling bedoelde colleges van burgemeester en wethouders benoemen bij de aanvang van elke zittingsperiode ten spoedigste, doch in elk geval binnen drie maanden, nieuwe leden van het algemeen bestuur; aftredende leden kunnen opnieuw worden benoemd.
**4..** Zolang de in artikel 6 lid 4 van deze regeling bedoelde colleges van burgemeester en wethouders niet hebben voldaan aan het in het vorige lid bepaalde, blijven de door hen of mede door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur die hadden moeten aftreden, als zodanig fungeren totdat de colleges van burgemeester en wethouders nieuwe leden hebben aangewezen.
**5..** Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel, houdt een lid van het algemeen bestuur dat de hoedanigheid genoemd in artikel 6 lid 4 van deze regeling verliest, daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.
**6..** Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.
**7..** Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 7, lid 3 van deze regeling openvalt, voorziet het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende deelnemer ten spoedigste in de vacature.
**8..** Van elke benoeming tot lid stelt het college van burgemeester en wethouders dat het benoemingsbesluit neemt, zo spoedig mogelijk het algemeen bestuur in kennis.
**9..** Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf
Artikel 7
Benoeming
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling afvalverwijdering Utrecht