1. Een aan de regeling deelnemende gemeente kan uit de regeling treden door daartoe strekkende besluiten van het college van burgemeester en wethouders en de raad van die gemeente. Deze besluiten worden direct ter kennis van het algemeen bestuur gebracht.
2. Voor uittreding als bedoeld in lid 1 geldt een opzegtermijn van één kalenderjaar.
3. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan hieraan voorwaarden verbinden.