De voorzitter van de raadscommissie plaatst een burgerinitiatiefvoorstel bij voorkeur op de agenda van de eerstvolgende vergadering van de commissie, met dien verstande dat ten minste twee weken is gelegen tussen de dag van indiening van het voorstel en de dag van de vergadering waarin over de agendering van het voorstel wordt beslist.
De voorzitter van de raadscommissie draagt er zorg voor dat de indiener schriftelijk wordt uitgenodigd voor de commissievergadering waarvoor het burgerinitiatiefvoorstel is geagendeerd. De indiener heeft tijdens deze vergadering de gelegenheid om het burgerinitiatiefvoorstel mondeling nader toe te lichten.
De raadscommissie bepaalt of het burgerinitiatiefvoorstel als een inhoudelijk punt op de agenda van de vergadering van de raad moet worden geplaatst.
Als de commissie van mening is dat het burgerinitiatiefvoorstel niet inhoudelijk door de raad moet worden besproken, wordt dit afwijzende advies voor de eerstvolgende raadsvergadering ter vaststelling geagendeerd.
Als de commissie heeft bepaald dat het voorstel als een inhoudelijk punt op de agenda van de raad wordt geplaatst, stelt zij daarbij een streefdatum voor de behandeling vast en nodigt het college uit om zo spoedig mogelijk de benodigde voorbereidingen te treffen voor de behandeling van het - eventueel uitgewerkte - burgerinitiatiefvoorstel in de raad.
De voorzitter van de raadscommissie draagt er zorg voor dat de indiener tijdig schriftelijk in kennis wordt gesteld van het standpunt van de commissie.
Als de commissie heeft bepaald dat het voorstel op de agenda van de raad wordt geplaatst, wordt de indiener tevens geïnformeerd over de wijze waarop deze bij de uitwerking van het burgerinitiatiefvoorstel kan worden betrokken.