In de artikel 12, lid 1 aanhef en onder c en in artikel 18, lid 1aanhef en onder c van de verordening is de volgende bepaling opgenomen:
"Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling…….indien:
c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 11 (resp. artikel 17) en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is;"
Deze bepaling bevat een verplichting voor de ouder om ten behoeve van het college genoegzaam aan te tonen en voor de gemeente om de individuele situatie te beoordelen.
Per individuele aanvraag zal het college beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.
Beleidsregel
Van een ernstige benadeling van het gezin is sprake zijn, als één van de volgende situaties aanwezig is:
Er is sprake van een één ouder gezin:
Andere kinderen van onder de 10 jaar thuis zonder identiek schoolbezoek
Scholings- of arbeidsverplichtingen van de ouder op de vervoersmomenten van de leerling
De ouder heeft een structurele lichamelijke of zintuiglijke handicap in de zin van de verordening;
Het enkele feit dat ouders beiden werken is zonder bijkomende omstandigheden die een belemmering zijn om zelf te begeleiden of anderen namens hen te laten begeleiden geen reden om aangepast vervoer toe te kennen.
Begeleiding is primair een taak van de ouders. Als dat niet mogelijk is, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Die kan gevonden worden door bijvoorbeeld een BSO, oppas, buren, familie of anderen in te schakelen.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3